De wereld op de foto

                         Reizen van Lione en Rene Kolsteren

                                       

                                       

 

 

Voor foto's van deze reis: renelione.magix.net

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Bali 2010
Het andere Bali
In januari 2010 zijn we twee weken naar Bali geweest. Het was ons tweede bezoek aan Bali. Geen uitgebreid reisverslag dit keer, omdat we geen uitgebreide rondreis gemaakt hebben. Ook geen uitgebreide informatie, want over Bali zullen honderdduizenden webpagina’s en honderden, misschien wel duizenden boeken vol geschreven zijn. Toch hebben we genoeg gezien en beleefd om er hier iets over te melden. Over de plekken die wij hebben bezocht, over de sfeer zoals wij die hebben ervaren.
Bali behoeft geen aanbeveling meer. Iedereen die er geweest is – en zelfs degenen die er nooit geweest zijn – zullen onmiddellijk het beeld van een exotisch tropisch vakantieparadijs hebben bij het horen van de naam Bali. Dat is ook wel terecht. In de zestiger jaren van de vorige eeuw besloot de toenmalige Indonesische regering dat het tot dan toe rustige eiland omgetoverd moest worden in een vakantie eiland bij uitstek. En dat is gelukt. Zeker op de zuidelijke punt van het eiland, waar de toeristenindustrie zich concentreert. De slaperige dorpjes Kuta en Seminyak zijn inmiddels mondaine badplaatsen, waar geld verdienen (voor de Balinezen) en uitrusten, strand, surfen en uitgaan (voor de toeristen) het credo is. Deze plaatsen zijn wat doorgeslagen; uiteraard vind je juist hier de mooiste zandstranden (liever gezegd: de enige), palmen, en alle faciliteiten die de vakantievierende toerist nodig heeft. Drukte ook uiteraard. Als je even buiten deze plaatsen gaat (en dan ook nog de aangrenzende, zeer drukke en grote, stad Denpasar door weet te komen) begint het andere Bali. Het echte Bali. En dat kun je pas een paradijsje noemen, een paradijs met andere ingrediënten in ieder geval.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Bali is tropisch, het is erg groen, en als je van de grote wegen afgaat vind je authentieke dorpjes, waar het leven rustig is. Uitgestrekte rijstvelden, bergen, bossen. En vooral veel tempels. Want religie is het allerbelangrijkste voor de Balinees. Ga de dorpen en steden maar in, de kans dat je een ceremonie (waarin de geesten gunstig gestemd moeten worden voor een bepaald doel) tegenkomt is groot. Het is bijna niet te missen. Overal zie je mensen met offers bezig, bloemen liggen gewoon op de stoep voor de huizen, wierook brandt overal, de meeste huizen hebben een huistempeltje. Daarbij zijn de Balinezen over het algemeen erg vreedzaam en enorm vriendelijk. Ze staan open voor jou als bezoeker en je wordt vaak uitgenodigd om er bij te komen als je belangstelling toont.
Dwars over het midden van Bali loopt een bergrug. In de bergen is het wat koeler en regent het wat meer. Maar het is er onwaarschijnlijk groen. Aan de andere kant van die bergen ligt de noordkust. Hier is veel minder toerisme, al is Lovina snel in opkomst. 20 km ten westen van Lovina, in the middle of nowhere, hebben wij een schitterende villa gehuurd.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Aankomst
Azië valt als een warme deken over ons heen, als we het terminalgebouw van het vliegveld van Denpasar uitlopen. Het is altijd weer een beetje thuis komen: de klamme hitte, de aarde die ruikt, de hectiek, mannen die druk heen en weer lopen, of mannen die juist uiterst relaxed voor zich uit zitten te staren. Na 17 uur als haringen in een ton kunnen we weer vrij gaan en staan! Het is inmiddels 9 uur ’s avonds, we hebben een nacht overgeslagen en zijn behoorlijk moe. Gelukkig staat onze chauffeur, die we in Nederland geregeld hebben, al keurig op ons te wachten.
Eerst Denpasar door. Het is zaterdagavond en erg druk. Als mieren schieten de brommertjes over de weg, overal komen zij vandaan en overal lijken zij naar toe te gaan. Na Denpasar gaat het over een opvallend goede weg (die konden wij ons niet herinneren van ons vorige bezoek, zou die nieuw zijn?) noordwaarts. Als het zo blijft gaan, zitten we over een uurtje in onze villa in het noorden van Bali, schatten we in. Ineens draait de auto van de weg af, en gaat een kleinere donkere weg op, die stijl omhoog gaat. Hoger en hoger gaat het over de smalle weg. Het begint te misten, en niet zo’n klein beetje ook! Je ziet helemaal niets, zelfs de witte lijn van de weg is nauwelijks meer te zien. Beneden in het dal weerlicht het om de paar seconden. Het begint een beetje spookachtig te worden: de witte muur van mist, en zo nu en dan het flitsen van het onweer in de verte. Na twee uur zien we weer lichtjes, dorpjes en dat betekent dat we de bergen over zijn en in het noorden zijn beland. Ineens staat de auto stil, in the middle of nowhere!
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
We stappen uit en kijken om ons heen. Waar is nu die villa? We zien een paar armoedige huisjes, midden in de bush. Wat zwerfhonden scharrelen heen en weer, er zitten wat mensen buiten en verder veel rommel. The road, sorry, zegt onze chauffeur. Het blijkt dat de auto niet verder kan rijden over de weg. De weg is afgesloten voor onze villa. Het blijkt een juridische kwestie te zijn, recht van overpad, waarover de eigenaar van de villa in de clinch ligt. Met de auto is de villa dus niet te bereiken. Maar….aan alles is gedacht, blijkbaar! Er staan twee jongens met brommers en zij gebaren ons achterop te gaan zitten. In Nederland zou geen haar op je hoofd er ook maar over peinzen om om 12 uur ’s nachts in de donkere rimboe met al je (kostbare) spullen bij twee volkomen onbekende jongens achterop de brommer te springen. Maar hier is dat anders. We zijn moe, en we willen naar onze villa. We scheuren door het dicht begroeide landschap over een smal pad en ineens….ja hoor, daar staat onze villa. Wat een schitterend gelegen huis. Het personeel staat al klaar om ons op te vangen, sandwiches, koffie, we zijn er!


 
 
 
 
 
 
 
 
 
Het is een schitterende, moderne villa met een enorme woonkamer, drie riante slaapkamers, een groot terras met ligbedden, een enorme tropische tuin en een flink zwembad. Achter de tuin begint het smalle lavastrand. De golven rollen onophoudelijk het strand op. Wat een rust. We worden enorm in de watten gelegd. Het personeel zorgt voor het huishouden, het eten en het schoonmaken; de tuin en het zwembad worden iedere dag onderhouden. En er zijn twee nachtwakers. Niet omdat dit hier, in deze vredige omgeving, nodig is maar omdat het gebruikelijk is (en gewaardeerd wordt) om enkele mensen uit het naburige dorp een baan te geven.
Vanuit onze tuin lopen we, zoals gezegd, het strand op. We zitten redelijk ver van de bewoonde wereld. Het dichtst bijzijnde stadje is Seririt, 12 km verderop. Veel is hier niet. Wat kleine huisjes, waar vissers wonen. Soms lopen wat kinderen nieuwsgierig langs. En verder is er vooral rust en de zee. Er ligt een boot bij de villa, waarmee we de zee op kunnen om dolfijnen te spotten. Niet de toeristische variant, gewoon voor je deur met zijn tweeën de zee op. We leven lekker bij de dag.

                                                     

 
 
 
 
 
 
 
 
 
Het noorden en midden van Bali
Het is acht uur ’s avonds als ik dit op ons terras zit te typen. Het is bijzonder vochtig, benauwd en klam vanavond, het heeft vanmiddag dan ook echt gestortregend. Vanmorgen om 5 uur op, ja, ook dit soort relaxvakanties is niet uitslapen!, om met “onze motorboot” vanuit het botenhuis de zee op te glijden. Op zoek naar de dolfijnen. Hier geen tientallen bootjes die achter ze aan zitten, zoals in het 20 km verderop gelegen Lovina. Toeristen staan ’s nachts om 3 uur op om vanuit het zuiden, Kuta en omgeving, om naar Lovina toe te komen. Wij waren op ons stukje zee dus helemaal alleen,dus we dachten hier een goede kans te maken om ze te spotten. Maar helaas, we kwamen bedrogen uit. Na een uurtje rondcruisen werd het al duidelijk dat de dolfijnen misschien toch bij Lovina zaten, in ieder geval hebben wij ze niet gezien! Wel genoten van de opkomende zon boven de groene mistige bergen, die je mooi vanaf zee kon zien. En uiteraard de vele vissersbootjes die op dit tijdstip al actief zijn. Vanmiddag de oude koningsstad Singaraja bezocht en daarna naar Lovina om een hapje te eten. We verbaasden ons er over dat we toch weer moesten wennen aan al die roodverbrande toeristen in korte broek, de opdringerige verkopers en de drukte, want in ons gebied zie je niets van dit alles. Alleen slaperige dorpjes, groene velden waarop gewerkt wordt, kokospalmbossen, vissers en werkelijk iedereen die je op heel vriendelijke manier gedag zegt. Lovina zal niet zo gauw een tweede Kuta worden, maar het is wel behoorlijk toeristisch. Een kant van Bali die ons niet zo trekt, hoewel het voor even wel gezellig is om er te zijn. Inmiddels zitten we weer lekker op onszelf, in ons paleisje in de rimboe. Omdat auto’s hier niet kunnen komen was het even sjouwen met de boodschappen door de pikdonkere rimboe, de paar mensen die hier in het kleine dorpje naast de villa wonen, zeggen ons allemaal vriendelijk gedag en lachen als ze ons zien sjouwen; zoiets zet je toch gewoon bovenop je hoofd!
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
We hebben inmiddels een deel van het westen en midden van Bali verkend. Langs kleine wegen, door de bergen en langs groene valleien. Het is nog zo authentiek hier! In Banjar maken we onze eerste stop. Er staat een praalwagen, die bedoeld blijkt te zijn voor een begrafenis. Een begrafenis is een heel gebeuren hier, waar het hele dorp aan meedoet.  Een begrafenis, of liever gezegd een crematie, gebeurt bijna nooit onmiddellijk na het overlijden vanwege de hoge kosten die ermee gemoeid zijn. Het lichaam wordt dus eerst begraven en na een tijd weer opgegraven om verbrand te worden. De verbranding vindt meestal op het strand plaats, of als dat niet in de buurt is, bij een meer of rivier. Een crematie is geen droevige gebeurtenis, integendeel: het is een feest. De ziel van de overledene maakt de overgang naar een andere fase, en dat is een blijde gebeurtenis, die met een feest gevierd wordt. We zullen voortdurend met het Balinees Hindoeïsme geconfronteerd worden, omdat het een zeer belangrijke plaats inneemt bij de Balinezen. Deze Balinese variant van het Hindoeïsme is ontstaan door een dun laagje hindoeïsme over het diepgewortelde animisme heen te doen. In het kort iets over de religie. Volgens het Balinese hindoeïsme bestaat alles dankzij tegenstellingen. Iedere kracht heeft een tegenhanger: licht/duisternis, goed/kwaad. Tussen de tegengestelde krachten is voortdurend strijd, zonder een winnaar. Door de voortdurende tegenstellingen blijft alles in balans. Om harmonie te bereiken is het belangrijk zowel de goede als kwade geesten gunstig te stemmen. Daarom wordt er iedere dag en overal geofferd en worden er veel ceremonies gehouden. Je ziet de offers overal, bij de huistempel, op straat. De helft van een gemiddeld inkomen wordt aan offergaven besteed.

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Munduk is de volgende plaats die we passeren, een schitterend bergdorp. Daarna over de bochtige en nevelige bergweg naar Tamblingan en Buyan Lake om uiteindelijk uit te komen bij het wat bekendere Bratan Meer met de beroemde tempel (de vorige keer in 2007 was de tempel bijna niet te zien door de mist, nu scheen de zon tussen de buien door en hebben wij in de herkansing dus wel mooie foto’s!). De tempel ligt prachtig in en aan het meer. Er heerst een serene, bijna mystieke sfeer. En voor ons als klapper van de dag de schitterende rijstterrassen van Jatiluweh, prachtig gelegen tegen de hellingen van de Batukau vulkaan. Nogal afgelegen, en dus weinig toeristen. Heerlijk wandelen in een onbedorven omgeving.

                                                  
 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
Kintamani
Een andere tour brengt ons naarhet meer oostelijk gelegen deel van Bali. Eerst naar Singaraja, een puur Balinese, grote stad (de 2e van Bali), met veel hectiek, boeiend straatleven (het was markt, maar dat is volgens mij iedere dag zo) en geen enkele toerist te zien (nou ja, twee dan, waarvan één met een grote camera op haar buik….!). De mensen vinden het hier totaal geen probleem om op de foto te gaan, ze lachen veel en staan vrij relaxed in het leven. We bezoeken een paar kleinere tempels, waaronder de Pura Beji in Sangsit, 8 km ten oosten van Singaraja. De tempel is van zandsteen gebouwd, en is gewijd aan Dewi, de godin van de rijst. Het ligt een stukje van de doorgaande weg over Noord Bali af, aan de kust.In het complex vind je talloze reliefs met fantasiedieren en voorstellingen uit de Ramayana.
Even verderop, bij Jagaraja, ligt de Pura Dalem , de tempel van de doden. Deze fraaie tempel is overdekt met reliëfs uit het moderne leven van de 20e eeuw. Op de muren rond de tempel vind je o.a. twee Europeanen in een oude T-Ford, die tegengehouden worden door een dappere Balinese krijger,een Hollands stoomschip dat aangevallen wordt door een zeemonster en een Nederlands vliegtuig dat in zee stort! De Balinezen waren destijds duidelijk niet blij met de Nederlanders/westerlingen. Vandaag de dag valt dat reuze mee. De tempelwachter krijgt waarschijnlijk bijna nooit bezoekers en enthousiast wordt iedere steen van de tempel aan ons getoond en van een uitgebreide verklaring voorzien. Tot slot krijgen we een uitgebreide cursus hindoe-leer, en om het nog eens na te lezen 4 fraai beschreven vellen mee, met daarop de hele cursus in een notendop. 
 

                                                   

 
 
 
 
 
 
 
 
Na een flinke rit bereiken we Kintamani, één van de meest toeristische attracties van Bali. De weg loopt hier vele kilometers langs een kraterwand en in de krater ligt de zeer actieve vulkaan Batur. Met op de achtergrond, half in de mist, de vulkanen Abang en Agung, is dit een fraai panorama, waarvan je op de terrassen van de vele restaurants kunt genieten. Helaas wordt de mens doorgaans minder vriendelijker als het om toeristische plaatsen gaat. Zo ook hier: de vriendelijke Balinees verandert hier in een opdringerig wezen. Van alle kanten worden we omringd, je kunt eventjes geen kant meer op, en worden artikelen in ons gezicht geduwd. Bij de Ulun Danu Batur worden ons, zonder dat we het in alle hectiek beseffen, sarongs omgeknoopt, waarvoor men geld wil zien, terwijl de tempel de sarongs gratis verstrekt. Als we dit doorkrijgen, en de omgeknoopte sarongs afdoen, wordt het meisje echt boos. De tempel zelf, die in de boekjes als één van de mooiste en belangrijkste van Bali wordt beschreven, is een aanfluiting: overal afval en troep, alles zwaar vervallen en het grootste deel met hekken afgezet. We zijn er in 2 minuten klaar. Jammer. Het mooiste is dan langzaam rijden door de bergen, over de stille weggetjes. Je ziet overal de echte Balinese tafereeltjes, tradities, ceremonies etc. 
                                                   
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Het westen
Een derde tourtje dat we maken brengt ons naar het uiterste westen van het eiland. Hier wordt de doorgaans drukke kustweg rustiger en rijden we langs de bergrug, door groene rustige dorpjes. We stoppen bij Puri Pulaki, een kleine tempel, waar hele hordes apen zitten. Je kunt het dus ook de apentempel noemen. De apen zijn hier heilig, dus men legt ze geen stroobreed in de weg. Zodra we stoppen komen ze al in actie, toeristen! Dat betekent waarschijnlijk lekker eten of misschien wel een mooie zonnebril, sleutels of camera scoren…..Advies is dus: laat je dure spullen hier in de auto. Ons uiteindelijke einddoel is Pemuteran, een snel groeiende badplaats en vissersdorp. Hier vind je het mooiste strand van Noord-Bali, een zandstrand in een mooie baai (de overige stranden van het noorden zijn lavastranden, dus grauw en grijs…). Er heerst een aangename relaxte sfeer. Hier zijn goede snorkel- en duikmogelijkheden. Het is ook een prima plaats om te overnachten, als je naar het nabijgelegen eiland Menjangan wil, een beroemde plaats om te duiken en snorkelen. Van hieruit kun je de boot naar dit eiland nemen. We bezoeken nog het schildpaddenopvangcentrum. Een Australiër nam hier ooit het initiatief toe. Hij zag dat de lokale mensen schildpadeieren verzamelden en kwam erachter dat deze als voedsel werd verhandeld of naar de toeristenindustrie gingen. Hij bedacht het systeem waarbij de eieren van de bevolking worden opgekocht (dit stimuleert de locals om de eieren te gaan zoeken, en feitelijk te redden), en de kleine schildpadjes worden opgevangen totdat ze groot genoeg zijn om weer terug in zee te worden gezet. Hier vind je ook Boomer, een grote zeeschildpad, die enkele malen in zee is teruggezet, maar zelf na een dagje zee steeds terug kwam. (Boomer – Boomerang, komt steeds terug).
En verder hebben we heerlijk alles over ons heen laten komen. De mensen, die het beslist niet luxe hebben, hebben de enorme gave om veel te lachen en niet overal zo zwaar aan te tillen. En waarom zou je ook, op zo’n paradijselijk eiland. We’ll be back!!

                                                      


 
 
 
 
 
 
 
 
 
Onze villa
Een villa huren lijkt “over the top”, wij zouden hier ook niet zo gauw aan gedacht hebben. We hadden echter een goedkoop ticket naar Bali gescoord en struinden vervolgens internet af naar passende huisvesting. Op deze manier kwamen wij terecht op www.balivakantievillas.nl. Dit is een site van eigenaren van villa’s in Bali die hier hun villa te huur aanbieden. We besloten de gok te wagen. Alles wat op de site wordt beloofd, en dat is zo ongeveer het paradijs, blijkt in werkelijkheid te kloppen. Onze villa heette Villa Burung, www.villaburung.com. De locatie was schitterend, tussen het smalle strandje en de rijstvelden,met op de achtergrond de groene bergen. De villa zelf was zeer luxe. Het heeft ons aan niets ontbroken. Het personeel (5 personen, je betaalt er niets extra’s voor) doet er van alles naar om jouw verblijf erg aangenaam te maken. Boodschappen doen, maaltijden verzorgen, villa, zwembad plus tuin netjes houden, bewaking ’s nachts. De villa ligt pal naast een kleine kampong. En dat alles voor nog geen 600 euro per week voor twee personen. Iedere persoon extra (er kunnen maximaal 6 personen terecht) kost 40 euro per week méér. In theorie kun je hier dus, bij een verblijf van 6 personen, voor omgerekend 126 euro per persoon per week een geweldig verblijf hebben. Tel daarbij je ticket op en je hebt echt een relatief goedkope vakantie in een schitterende en luxueuze ambiance. Vanuit de villa kun je alle kanten op en van alles ondernemen. De tuinman neemt je mee voor een dolfijnentocht (10 euro/ 2 uur) op de zee vóór je villa. Er is altijd een chauffeur beschikbaar, die je alle mooie plekken van Bali laat zien. Aan het personeel kun je vragen of ze ceremonies weten waar je bij zou kunnen zijn. En wandelen in de omgeving is een waar feest: overal groene velden, mensen aan het werk op het land, vissers die vóór jouw deur uitvaren en weer binnenlopen, een uitermate vriendelijke bevolking. De villa ligt nabij het dorpje Kalisada, 10 km ten westen van Seririt en 20 km W van Lovina. Deze omgeving is nog echt het pure Bali. Wij vonden het vooraf ongelooflijk dat zoiets echt zou bestaan, en achteraf geloven we het soms heel even nog niet!!!
Voor foto's van deze reis: renelione.magix.net