dewereldopdefoto
reizen van Lione en René Kolsteren
Over ons/ About us
42 korte reisverhalen
Brazilie, Pipa 2011
Myanmar 2011
Ierland 2010
Helgoland 2010
Marokko 2010
Bali 2010
Namibie Zambia Botswana 2009
Ecuador Galapagos 2009
Chili Argentinie 2008
Indonesie 2007
Australie 2006
Maleisië 2005
Brazilie 2004
Costa Rica 2002
Foto's van onze reizen Travel pictures
Alle landen: informatie en tips
Nieuw(s), links
Myanmar 2011

Voor foto's van deze reis: renelione.magix.net

Voor algemene informatie en praktische tips: klik hier

INLEIDING

Myanmar. Gaan of niet gaan? Of beter nog: waarom zou je er heen gaan? In de eerste plaats is er natuurlijk het regime. Het regime, een volkomen foute regering. Een regering die niets om de bevolking geeft, een regime dat onderdrukt, wreed en niets ontziend is. De boycot van westerse landen lijkt dit regime niet te raken, laat staan te verzwakken. Het raakt de bevolking helaas wel, het land holt eigenlijk alleen nog maar achteruit. “Waarom komen jullie niet? Waarom laten jullie ons in de steek?” hebben we vaak gehoord. Beschaamd moest ik steeds zeggen dat ik het ook niet wist. Want goedbeschouwd is er geen enkele reden om dit land te mijden, integendeel. Het toerisme in dit - economisch gezien – bijna minst ontwikkelde land ter wereld is volkomen ingezakt. En dat terwijl het land enorm veel te bieden heeft. Het doet zeker niet onder voor andere landen in de regio, zoals Thailand, Laos of Vietnam, die wel in de gratie zijn bij reizigers. Eigenlijk heeft het alles wat deze landen ook hebben. En nog net iets meer.
Het land is jarenlang afgesloten geweest van de buitenwereld. Nog niet zo lang geleden kwam je het land niet eens in. De wereld wilde niets van Myanmar weten en Myanmar wist weinig van de wereld. Nauwelijks westerse moderne invloeden. Door deze isolatie heeft het land zijn oorspronkelijke karakter nog weten te bewaren.
Myanmar is uniek en wat de reiziger in Myanmar aantreft, zal hij in geen enkel ander (Aziatisch) land meer aantreffen. Je waant je in een willekeurig Aziatisch land in de jaren vijftig. De sfeer is ontspannen, de mensen (ondanks hun armoede) vriendelijk, beleefd en zachtaardig. Buiten de steden domineren karren, voortgetrokken door zeboes en waterbuffels het beeld, bewerken mensen hun land op een manier zoals dit hier honderd jaar geleden gebeurde, heerst de rust en gemoedelijkheid van het fraaie platteland, en tref je een kleurrijk straatbeeld aan in dorpen en steden, waarbij je voortdurend je ogen uitkijkt. Vrouwen en mannen in lange wikkelrokken, de gezichten ingesmeerd met thanaka, een soort pasta die in strepen en figuren op het gezicht wordt aangebracht. En overal die opgestoken hand, die vriendelijke lach.

En dat alleen al is een reden om te gaan: de vriendelijkheid van de mensen en hun behoefte om niet vergeten te worden, om in contact te komen met bezoekers.
Myanmar is het gouden land. Gouden pagodes, kloosters, monniken, tempels: je vindt ze overal en in groten getale. Nergens ter wereld heeft het Boeddhisme zulke diepe wortels in het dagelijks bestaan van de mensen, in al zijn facetten. Myanmar is met geen enkel ander land te vergelijken, Myanmar is vooral nog heel erg zichzelf.

                                           
YANGON
We rijden vanaf het vliegveld de vroegere hoofdstad Yangon in. De grootste stad van het land en de stad, waar je als reiziger het land binnenkomt. In eerste instantie lijkt het hier op alle andere Aziatische landen of steden en is aan niets te zien dat het hier Myanmar zou moeten zijn. Groene buitenwijken, veel lage bebouwing, wat een beetje een dorps karakter geeft aan deze metropool. Veel bromfietsen, fietsen en auto’s, waarvan de meeste de jaren zestig nog gekend moeten hebben. Hier en daar wat lelijke hoogbouw, die ook in deze stad aan het oprukken is. Dichter naar het centrum toe wordt het steeds drukker en het straatbeeld levendiger en authentieker. Minder dan we in de rest van het land zullen zien, zien we mannen in wikkelrokken, en vrouwen, mannen en kinderen met thanaka op hun gezicht.
Als we even later te voet door het centrum gaan zien we pas echt de armoede en verpaupering van deze stad. De koloniale gebouwen staan er nog, maar de meeste beginnen te vervallen. Wandelen is hier ogen te kort komen, zoveel gebeurt hier op straat. Veel mensen leven op straat, koken hun potje met onduidelijke ingrediënten waarvan we niet eens willen weten wat het precies is. Vergenoegd zitten mensen in groepen om de potten heen, in afwachting van de maaltijd. Het is vaak slachtafval, dat wij niet als vlees zouden gebruiken. Hier is alles eetbaar. Je moet wel. Men heeft handelswaar op de stoep uitgestald, of men zit maar wat en ’s avonds gaat men op dezelfde plek gewoon gestrekt.
Behalve om je heen kijken en je verbazen, opgaan in de hectiek van alledaags Yangon, moet je ook goed je ogen naar beneden gericht houden. Wandelen over wat de stoepen zouden moeten zijn is goed uitkijken. Stenen liggen los, steken omhoog, wiebelen over grote gaten en geulen. Een keer misstappen betekent hier op zijn minst een pijnlijke enkel. Bij de Sule Pagode houden de geldwisselaars zich op, snelle jongens met stapels geldbiljetten in hun handen. Geld wisselen doen we morgen wel. We komen bij de Yangonrivier aan de zuidzijde van het centrum. Het is hier een drukte van belang. Een grote menigte mensen die met het veerpontje naar de overkant wil.
          
                                   
       
Naar de Shwedagon Pagode, een icoon van Yangon en eigenlijk van heel Myanmar, ga je bij voorkeur tegen zonsondergang. Dit prachtige complex ligt op de heuvel Singuttara, even buiten het centrum. We lopen op de weg er naar toe. Vóór ons 220 treden omhoog langs een overdekte trap, aan weerszijden waarvan handelaars en winkeltjes zitten. Jongetjes met plastic zakken (om je schoenen in te kunnen opbergen) komen op ons af: “Money, money” roepen ze. Datzelfde zegt een vrouw even verderop, die ons duidelijk maakt dat we onze schoenen bij haar moeten inleveren, anders kunnen we niet verder. Even twijfelen we. Al gauw beseffen we dat ze gewoon wat wil verdienen, maar dat de schoenen overal langs de trap kunnen worden neergezet zonder dat je er iemand voor hoeft te betalen. Je zult ze in dit land altijd weer terugvinden. Diefstal is hier een onbekend fenomeen.
Boven aangekomen treffen we een uitgestrekt en ongekend mooi tempelcomplex aan, waar van alles gebeurt. De stupa is bijna 100 meter hoog, en bedekt met 50.000 kilo bladgoud. Daar omheen 64 kleinere en nog vele gebouwtjes en tempeltjes. De stupa is ook nog eens belegd met duizenden kostbare edelstenen. Het maakt indruk, deze plek. Gelovigen doen hun gebed, handelaren en zwerfhonden lopen rond, en overal pracht en praal. Het wordt donker en de lichten gaan aan, wat een bijzondere sprookjesachtige sfeer creëert. In een hoekje zitten enkele monniken, die een praatje met ons beginnen. Natuurlijk gaan ze ook op de foto (wat monniken erg leuk vinden). Mensen brengen hun offers, ze zijn in vervoering of in gebed in de vele tempeltjes, er zijn honderden Boeddhabeelden -groot en klein-, de goudkleurige pagode straalt een zee van licht uit. We wanen ons in een compleet andere wereld. En dat is het ook. Dan dalen we de lange trap weer af en gaan op zoek naar een eetgelegenheid.

                               
Het Kandawgyipark rond het gelijknamige meer is één van de groene longen van “tuinstad” Yangon. Het is zondag en we wandelen door dit park. Deze rustige plek is een verademing na de hectiek van donwtown Yangon. Families en stelletjes wandelen hier en vermaken zich op deze zondagmiddag. Het imposante Karaweikschip in het midden van het meer herbergt een duur Chinees restaurant. Wij kiezen voor het terras van één van de vele eenvoudige eetgelegenheden. Aan de horizon verheft de Shwedagonpagode met een gouden glans zich boven alles uit en weerspiegelt mooi in het water van het meer.
BAGO
De volgende dag rijden we over een opvallend goede weg (eigenlijk de enige goede weg die wij in dit land hebben gezien) naar Bago, tachtig kilometer van Yangon. Bago is een vroegere hoofdstad, maar tegenwoordig is het een niet bepaald aantrekkelijke provinciestad. Toch heeft deze stad een aantal indrukwekkende bezienswaardigheden in huis. We rijden door een groen, vlak land. Het is een rustige weg; alleen in de dorpen wordt het druk. We stoppen bij een markt langs de kant van de weg. Drukte en van alles te zien. Weer kijken we onze ogen uit. De overvolle busjes, waar mensen als trossen aanhangen, op de daken zitten. Auto’s van tientallen jaren oud en verbazingwekkend genoeg rijdt en functioneert het allemaal. De Shdawwemaw pagode is een must-see. Deze pagode is hoger dan die van de Shwedagon in Yangon. Hij staat in de steigers, die van riet en hout gemaakt zijn. In deze gammele constructies zien we overal de arbeiders, die aan de restauratie werken, staan en klimmen. Ze verven de hele pagode over in goudkleurige verf. Een enorm intensief werk. 

                                          

Het valt ons op dat in dit arme land zo ontzettend veel geld wordt uitgegeven aan het onderhoud van de ontelbare pagodes en tempels. We lopen weer het rondje om de pagode heen. Op het terrein weer overal tempels en altaartjes. Als ik toevallig mijn portemonnee open om voor de zoveelste keer een “kleine (maar verplichte) donatie” te geven aan de tempel staat er meteen een monnik voor me. “Money money”. Dat monniken bedelen is nieuw voor mij. Je zou wat nederigheid verwachten van monniken, maar de tijden veranderen ook hier blijkbaar. De nood is overal hoog. Er wordt opvallend veel gebedeld hier, en we zijn snel een aardig bedrag kwijt, voordat we besluiten dat we toch maar wat strenger moeten worden. De sfeer in deze heiligdommen is losser dan bv. in christelijke kerken. Alles en iedereen, inclusief de dieren, loopt hier, er wordt gehandeld, mensen bidden voor de altaartjes, ze offeren maar maken ook grapjes en lachen. Het is warm vandaag, zeker als we bij het Ambawzathardi Golden Palace aankomen. In de buurt ligt het Maha Kalyani Simalklooster. Er is weinig te beleven. Er hangt een lome sfeer. Een paar jonge monniken wassen hun eetgerei. We wandelen over het kloostercomplex, waar weinig leven te bespeuren valt. Dit land telt enorm veel monniken, geschat wordt een half miljoen. En ze staan in hoog aanzien. Tijdens onze lunch in een nabijgelegen restaurantje gaat het gebedel gewoon door. Er komen zo weinig toeristen, dat de enkeling die hier wel komt niet wordt ontzien. De mensen hebben honger en zeggen dat ook. Ze verontschuldigen zich niet voor hun onophoudelijke gebedel. Er is geen andere optie, ze moeten wel.
Na de Kyaikpun pagode met de liggende Boeddha rijden we terug richting Yangon.
INLE LAKE
Het is nog geen uur vliegen van Yangon naar Heho, een klein stadje op het bergachtige plateau van de Shan staat. Hier liggen de twee volgende attracties, die de meeste bezoekers wel aandoen: Kalaw en het Inlemeer. De wereld verschilt hier enorm van die van de metropool Yangon. Hier heerst landelijke rust en is er vooral veel natuurschoon. Bergen aan de horizon, kleurrijke bloemen bloeien overal, stoffige wegen waar nauwelijks auto’s rijden maar wel veel karren. Een vruchtbaar en relatief koel gebied, waar je wilde kersenbomen ziet en waar avocado, peulen, kool, aardappelen en aubergines verbouwd worden. Producten die je in groten getale worden aangeboden door de kleurrijke bergstammen op de vele markten. Even vóór de toeristenplaats Nyaungshwe bezoeken we het prachtige houten klooster Shwe-yan-pyay. Ovale vensters, houten vloeren en plafonds. Jonge monniken krijgen les en met het prachtig binnenvallende licht levert dat mooie beelden op.

                          
Het Paradise Inle Resort, waar we de komende drie nachten verblijven, ligt op palen gebouwd midden in het Inlemeer. Vanaf Nyaung Shwe is het drie kwartier (ongeveer 15 kilometer) met een bootje. Dat vervoermiddel is de komende dagen hier ook de enige optie om deze schitterende omgeving te verkennen. In het Inlemeer, mooi omringd door de bergen op de achtergrond, leven de bewoners in huizen, die allemaal op palen in het water zijn gebouwd. Het Inlemeer meet 10 bij 22 km en ligt op 900 meter hoogte. Inle is een geliefde en bekende bestemming. Dat is volkomen terecht. De sfeer hier, rondvarend door de dorpjes in het water, de fraaie tempels en pagodes, de eenbenige roeiende vissers met hun grote fuiken, de drijvende moestuinen waar bloemen en tomaten gekweekt worden: je waant je in een bijzondere wereld, die zijn gelijke bijna niet kent. Hier heb je wel een paar dagen nodig. Varend door de groene kanalen leg je hier en daar aan bij de drijvende dorpen, waar boten gebouwd worden en sigaren worden gemaakt. Je ziet mensen in hun gewone doen, arm en levend op een manier zoals dat al honderden jaren gaat en waar nog niets is veranderd.
                           

Het “Klooster van de springende katten” lijkt door zijn naam méér dan het is. Het verhaal wil dat iemand voor de Lonely Planet aan het werk was en bij toeval hier terecht kwam. De zich vervelende monniken waren katten gaan trainen in het springen door een hoepel. De journalist gaf het klooster de naam van deze springende katten, en nu is het een min of meer officiële naam. Er wordt weinig gesprongen in het klooster, de katten liggen uitgeteld ergens op de vloer. Het klooster is echter erg fraai en zeer de moeite waard. Indein is dat ook. Het dorpje, dat iets van de zuidkant van het meer af ligt, heeft een relaxte sfeer en herbergt op een heuvel even buiten het dorp ruim 1000 half vervallen ruines. Het doet in de verte aan Angkor Wat denken: boomstronken en –takken groeien langs en door de ruines heen, veel pagodes zijn bijna overwoekerd en er heerst een bijna mystieke sfeer. We wandelen terug door het bamboebos, langs de rivier. Inle maakt indruk op ons: de sfeer is bijna idyllisch te noemen. 

                        
De dag erna varen we zuidwaarts richting Loikaw. Dit gebied was tot voor kort nog verboden terrein voor buitenlanders. Het is het gebied van de bergstam de Pa O. We hebben dan ook een speciale permit nodig. We krijgen deze zonder problemen. Wel gaan er twee Pa O met ons mee. We laten ons rondvaren en kunnen alles fotograferen wat we willen. Weer zien we het traditionele leven langs de waterkant, dorpjes op palen, een groene omgeving. Buffels die vlak voor onze boot massaal de rivier overzwemmen. We leggen aan in een klein dorpje en we eten en drinken palmwijn met een paar bewoners, die nieuwsgierig bij ons aanschuiven. We verstaan geen woord van elkaar, maar de sfeer is gemoedelijk. Voldaan varen we aan het einde van de dag terug. Geen toerist gezien…..
                                                       


KALAW
Het is ruim 2 uur rijden van Inle naar Kalaw. Na Heho klimt de weg en al snel zitten we in bergachtig gebied. Kalaw is zo’n plaats zoals je die vaker ziet in de tropen. Vanwege de hoge ligging en het koele weer waren ze geliefd als woon- of verblijfplaats van de Engelse kolonisten, die zich hier in de droge hete tijd graag terugtrokken. Het dorp heeft, afgezien van het kleine centrum, een parkachtig karakter: veel koloniale huizen en bungalowtjes op kleine heuveltjes in het groen. Het is eigenlijk een typische toeristenbestemming, maar toeristen zijn er nu nauwelijks meer. In de komende dagen zullen we ze bijna ook niet zien. De aantrekkingskracht van Kalaw zit hem in het maken van trekkings door de heuvels rond Kalaw, waar veel bergstammen wonen. Ook voor ons is dit de reden van ons bezoek aan Kalaw.
Het November Hotel ligt wat buiten het centrum in een afgelegen omgeving. Als november synoniem staat voor verval, neergang, somberheid en kilte dan had deze naam niet beter gekozen kunnen worden. Het is een groot, (oorspronkelijk) wit koloniaal gebouw. Als we de gebarsten trappen oplopen komen we in een donker halletje met een kleine eveneens donkere balie. Het doet wat afgeleefd en naargeestig aan. We vermoeden dat we de enige gasten zijn in dit enorme gebouw en dat blijkt te kloppen. De kamer is groot en hoog, en prima in orde. Het begint buiten zachtjes te regenen, de eerste voorbode van een weersomslag. De restanten van een cycloon trekken vanuit Bangladesh over heel Myanmar en dat zal de komende dagen overvloedige neerslag opleveren. Bijzonder voor de maand december, want volgens de klimaatstatistieken is de neerslagsom 0,0 mm. Maar het weer trekt zich natuurlijk niets aan van statistieken en dat zullen we merken ook.
We maken een rondrit door het dorp: wat tempels, een Boeddhabeeld en het oude stationnetje, waar op dat moment geen activiteit is. Het begint nu echt hard te regenen. We eten bij de Nepalees. We rijden terug naar November en de straten van Kalaw zijn pikdonker, nat en verlaten. Een beetje een naargeestig sfeertje en dat verandert niet als we in ons hotel aankomen.
                                   

De volgende ochtend lopen we de “ontbijtzaal” binnen. Een enorme zaal met wel vijftig tafels. Het is aardedonker. Door één raam komt een zwak licht naar binnen en aan dat tafeltje mogen we plaatsnemen. Het is wat sinister allemaal. We hebben geluk: vandaag is het markt in Kalaw. De markt volgt hier een vijfdaagse cyclus door de dorpen in de omgeving en vandaag is Kalaw aan de beurt. Het regent onophoudelijk, maar desondanks is de markt een kleurrijke bedoening, waar van alles te zien en te beleven is. Op hun hurken zitten de vrouwen en meisjes achter hun koopwaar, meestal een paar kolen, tomaten of lente-uitjes. Deze bergmensen zien er fleurig en mooi uit. We lopen uren door de modder en de grote plassen. Daarna lopen we terug naar ons hotel, en bedenken wat we nu willen doen. We lopen nogmaals naar het centrum waar de markt net is afgelopen, drinken koffie bij de Chinees en lopen doorweekt van de regen weer terug. Het is duidelijk: die trekking zit er niet in. De volgende ochtend is het droog en komt er een zwak zonnetje door. Bij het vertrek lijkt alles wat meer kleur en licht te hebben gekregen.
MANDALAY
Op weg naar het vliegveld van Heho stoppen we in Aung Ban. Dit dorp is vandaag aan de beurt voor de markt. We lopen door het centrum heen. Het is meer van hetzelfde, maar niet minder kleurrijk. Het landschap is hier schitterend. Glooiende heuvels, veel bloemen, werkende mensen op het land, en vooral heel veel rust. Onze vlucht naar Mandalay is behoorlijk vertraagd en uiteindelijk zijn we een hele dag kwijt: ’s avonds in het donker komen we in ons fraaie hotel in Mandalay aan. We hebben geluk gehad bij het vliegveld van deze stad. Het is al donker als we aankomen en omdat er geen vliegtuig meer zou landen vandaag, wij hadden het laatste, is er ook bijna niemand meer aanwezig op de luchthaven, ook buiten niet. Merkwaardig voor een miljoenenstad, maar er zijn hier slechts enkele vluchten per dag. We zien de laatste taxi staan en het is, wat de prijs betreft, “take it or leave it”.
De naam Mandalay had nog niet zo lang geleden een magische klank. De koningsstad waar het straatbeeld nog authentiek, bijna 19e eeuws, was: veel wandelende mensen, fietsen, geen verkeerslawaai. Dat Mandalay is er niet meer, merken we al gauw. Het is een ongelooflijk hectische, lawaaierige, drukke stad. Oversteken is hier een hachelijke zaak: alles en iedereen raast onophoudelijk door. De aantrekkingskracht van Mandalay zit hem zeker niet in de stad, het centrum al helemaal niet, maar in de nabije omgeving van de stad.
De volgende ochtend vroeg vertrekken we naar de rivierhaven. Hier heerst een enorme bedrijvigheid. Er liggen veel boten uiteraard; handelaren, kinderen, vrouwen, zwerfhonden, allemaal hangen ze hier rond omdat er misschien iets te doen, te verdienen of te eten is. Je waant je honderd jaar terug in de tijd. Mensen om ons heen, vragen, bedelen. Over een wel heel smal (10 cm) en lang (6 meter) gammel loopplankje dalen we af naar de veerboot die ons naar Mingun moet brengen, drie kwartier varen over de brede Ayeyarwady rivier.
Zodra we in Mingun van de boot aflopen worden we wederom belaagd, maar we nemen snel een afslag van de toeristische hoofdroute. Het is hier rustig wandelen in een dorp dat nog de sfeer van lang vervlogen tijden ademt. Een relaxte sfeer. We lopen over een stoffige zandweg, ossenkarren komen ons tegemoet. We bezoeken een aantal fraaie pagodes en tempels en belanden aan het einde van het dorp bij het bejaardentehuis van zuster Thwe Thwe Aye. Deze boeddhistische non heeft een grote erfenis gestopt in dit bejaardentehuis. Dergelijke particuliere initiatieven zijn ongebruikelijk, maar wel heel noodzakelijk in dit land, waar verder niets is of wordt gedaan voor oude of gehandicapte mensen of weeskinderen. We hebben wat medicijnen uit Nederland meegenomen. Hoewel zuster Thwe Thwe Aye vaker bezoek krijgt van westerse toeristen (het bejaardentehuis staat in diverse reisgidsen en heeft zelfs een zekere faam) is zij ongelooflijk blij met onze komst. Ze straalt aan alle kanten. We maken een rondgang door de diverse zalen. De oudjes hebben een bed, een kastje voor hun spullen en ze eten uit een kommetje hun rijst. Ze hebben het ongetwijfeld beter dan veel mensen buiten.

                             
Onder het motto “je moet alles eens geprobeerd hebben” nemen we voor de terugweg de ossenkar. Het kraakt, piept, hobbelt en wiebelt aan alle kanten. Halverwege vinden we het wel genoeg zo. De ossenbaas is eerst verbaasd, een beetje bang dat hij nu niet het afgesproken bedrag zal ontvangen. Als wij hem duidelijk maken dat hij dit wel krijgt, is hij opgelucht. De ossen wilden toch al niet zo vandaag, lijkt hij te zeggen. We wandelen door het landerige dorpje terug naar de rivier. Vrouwen wassen hier kleding en zichzelf. Een meisje van een jaar of 12 houdt ons gezelschap. Maar als we van haar af willen, wil zij niet vertrekken. In goed Engels zegt ze: “I won’t leave until you give me money. I’m hungry, you see”. En daar kan een Nederlands hart dan weer niet tegenop.
Terug in Mandalay wisselen we eerst weer geld. Hoewel we hebben gehoord dat dit alleen in Yangon kan, blijkt dat mee te vallen. In Mandalay, en in alle plaatsen daarvoor en daarna, kan het ook. Het is gekkenwerk om hier over straat te lopen. Je moet van alles ontwijken, en dat is niet ongevaarlijk want op straat raast alles door. We besluiten om dan maar de tuktuk te nemen. Uiteraard slaan we de beroemde tempels en kloosters van Mandalay niet over. Onze dag zal eindigen op Mandalay Hill, een heuvel van 200 meter hoog, even buiten het centrum. Boven is de sfeer sereen. Een fraai tempelcomplex. Vanaf het terras overzie je de stad met aan de horizon de steeds verder wegzakkende zon. Monniken willen graag met je praten, de toeristen gedragen zich nu eens opvallend rustig, ze zitten, genieten, lezen een boek. We hebben de tuktuk naar boven genomen. De klim had ook lopend gekund, maar dat zijn dan wel 1700 treden. We gaan weer naar beneden en onze tuktuk laveert door het spitsuur van Mandalay. Rijen brommers, fietsen en auto’s links en rechts naast ons, een bombardement aan vuil en gassen spuiend. Onze keel wordt droog en hoestend laten we ons noodgedwongen onderdompelen in zoveel verkeersgekte.
AMARAPURA
Het Mahagandayonklooster in Amarapura, een voorstad van Mandalay, is onmiskenbaar een fraai klooster. Een groot klooster ook. Hier wonen en leven 1200 monniken. Lopend over het terrein zie je overal kleine woongebouwen. Gewaden hangen te drogen. Monniken hangen wat landerig rond.
Om 10.15 uur ’s ochtends gebruiken de monniken hun laatste maaltijd van die dag. Het is indrukwekkend om te zien hoe 1200 monniken zich in lange rijen opstellen, twee rijen van 600, en met hun etensnap in hun hand langzaam, stil, gedisciplineerd en met gelaten blik, voorwaarts schuifelen. Nadat hun kommen zijn gevuld betreden zij de eetzaal, waar zij – op de grond gezeten – achter lange tafels zwijgend de maaltijd gebruiken.
                       

Daarna rijden we naar de U Beinbrug, even verderop. De 1200 meter lange brug is volledig van teakhout, de langste houten brug ter wereld. Hij overspant het Taungthamanmeer. Op dit moment is de waterstand laag en bevindt de brug zich 6 meter boven het water, maar in de natte tijd kan hij soms wel overspoeld worden door het water. Het is een schitterend gezicht om te zien hoe deze brug, hoog op houten palen, zich meer dan een kilometer voortslingert over het meer. Op de brug raak je niet uitgekeken. Alles en iedereen loopt hierover heen en dat terwijl de brug nog geen 2 meter breed is. Vrouwen met manden op het hoofd, kuierende monniken, mannen op fietsen. Vooral vanaf het water gezien, en dan ook nog eens tegen zonsondergang, levert dit bijzondere fraaie sfeerbeelden op die vanaf een bootje op het meer kunnen worden bekeken en beleefd. Beelden die een icoon van Myanmar zijn geworden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat iedereen, die iets wil verdienen, zich hier al vroeg op de dag ophoudt. Er zijn erg weinig toeristen. De toerist die hier komt aanlopen wordt dan ook onophoudelijk belaagd. Hoewel de mensen vasthoudend zijn, zijn ze niet vervelend. Nee is nee en dat begrijpen ze wel. Maar dan is er al weer de volgende….
De sfeer is desondanks geweldig. Het is een drukte, een poppenkast, maar wij proberen vooral van de authentieke beelden te genieten.
Voordat we hier van de zonsondergang gaan genieten, hebben we nog een heel programma af te werken. Sagaing bijvoorbeeld. Deze stad ligt aan de overkant van de Ayeyarwady. De heuvels buiten de stad lijken bezaaid met pagodes, honderden, duizenden, groot en klein. We bezoeken er enkele, maar er is eigenlijk geen beginnen aan. We genieten meer van het totaalbeeld: ontelbare pagodes met hun gouden koepels in een mooi heuvellandschap.
                      

In het gebied rond Inwa, de oude koningsstad Ava, liggen veel ruines en kloosters. We varen een zijrivier van de Ayeyarwady over. Aan de overkant staan paardenkoetsjes klaar die je door dit gebied rijden. Het is een mooi landelijk gebied, maar na een paar kilometer kijken wij elkaar bedenkelijk aan. De koetsen zijn slecht, uitermate slecht (wat later in Bagan zullen we ervaren dat het óók beter kan). Daar kan de arme bevolking niet zo veel aan doen. Zij hebben geen geld voor nieuwe, voor onderhoud en zij moeten toch hun brood verdienen. We rammelen en schudden aan alle kanten. Het paard heeft duidelijk moeite met drie mensen op het karretje. De wegen zijn bijzonder slecht met grote gaten en kuilen en moddersporen. Is dit leuk? Nee, besluiten we, niet alles in een rondreis is per definitie leuk. Dit is echt afzien en van genieten is voor ons op deze manier geen sprake. Wij hernia, het paard hernia als we dit afmaken. Wij vragen de verbaasde koetsier om terug te keren. We drinken wat op een terras en raken in gesprek met de ober, die verder niets anders te doen heeft. Mensen hier zijn er erg geïnteresseerd in om te horen hoe de wereld buiten hun land er uitziet, want ze hebben geen idee. De avond bij de U Beinbrug maakt onze dag helemaal goed. Dit is een onvergetelijke ervaring en één van de hoogtepunten van Myanmar.
MONYWA- PAKKOKU- BAGAN
We rijden vroeg over de nieuwe brug het chaotische Mandalay uit. De sfeer verandert van het ene op het andere moment radicaal: het is weer terug in de tijd. Rust. Landerige dorpen. Krakende en piepende ossenkarren. Vrouwen met manden en bossen hout op het hoofd.
 
In een klein eenvoudig dorpscafé drinken we iets waarvan we niet weten wat het is, maar dat als koffie is besteld. Het is alsof we ons in een scène van een avonturenfilm bevinden. We zijn de enige westerlingen en worden van alle kanten bekeken, zoals wij onze ogen uitkijken en genieten van deze totaal andere wereld. Mannen in hun wikkelrokken zitten op een laag bankje rond een tafel. Wij zitten aan een andere tafel, ook op lage bankjes. Aan een derde tafel zitten monniken. Het is hier kijken, en bekeken worden. Kinderen en volwassenen staren ons langdurig aan. Wandelend door het dorp, klinkt achter donkere ramen “bye-bye” (bedoeld wordt: “hello”). Wij zien ze niet, zij zien ons wel.
 
In Pakkoku stoppen we bij de rivier. Hier ligt onze privéboot klaar, die ons in enkele uren over de Ayeyerwady naar Bagan zal varen. Er heerst een gezapige, landerige sfeer als we het smalle weggetje naar de rivieroever oprijden. Niemand te zien. Maar de voor ons onhoorbare tamtam doet zijn werk uitstekend, want er ontstaat al snel een heus oploopje zodra we met onze bagage en spullen uit de auto stappen. Ineens een kluwen mensen om ons heen. Het is duidelijk: toeristen komen hier bijna niet en iedereen wil zijn graantje meepikken uit dit onverwachte maar broodnodige buitenkansje.
Onze tassen worden naar de boot gesjouwd, wel zeven mensen zijn ermee bezig. Dat wil zeggen: zeven dragers (zelfs twee plastic tassen hebben ieder een aparte drager) en een veelvoud hiervan zwermt er om heen, om straks te laten zien dat ze wel degelijk ‘meegeholpen’ hebben. Zelf worden we onmiddellijk ingesloten door vrouwen en kinderen. Wat een ongelofelijke armoede. Gaten en scheuren in hun kleding. Groezelige en gekweld kijkende gezichtjes. We stappen in het gedrang met moeite in onze boot.  
De volgende uren genieten we van de stilte op de traag stromende brede rivier. We hebben weer nieuwe energie opgedaan om de volgende uitdaging aan te kunnen: Bagan, dat nu in zicht komt. 


                          
BAGAN
We hebben het geluk in Bagan Koelin tegen het lijf te lopen. Hij heeft een horsecart en dit is een uitstekende manier om Bagan te zien. We besluiten hem in te huren voor twee dagen en dat blijkt een hele goede keuze. Koelin weet uiteraard de weg, maar vooral ook begrijpt hij precies wat we willen zien en hij rijdt ons er feilloos heen.
Bagan is misschien wel de grootste toeristische attractie van Myanmar, en dat is niet zonder reden. In een droge vlakte, slechts begroeid met wat palmen, strekt Bagan zich over een oppervlakte van 40 km2 uit. De vlakte is bezaaid met meer dan 2.200 pagodes, kleine en grote. Bagan is het grootste Boeddhistische ruinegebied ter wereld en onmiskenbaar één van de indrukwekkendste plaatsen van Zuidoost Azië. Misschien wel van heel Azië. Bagan was vanaf 1100 zo’n twee eeuwen lang één van de machtigste rijken van Azië en waarschijnlijk ook de grootste stad. De houten huizen zijn in de loop van de eeuwen uiteraard allemaal verdwenen, maar wat rest aan pagodes en tempels, zo ontelbaar veel, is adembenemend. We hobbelen twee dagen door de vlakte, we zien de meest indrukwekkende tempels, en we genieten op de top van de pagodes twee avonden lang van een ongelooflijk sfeervolle en kleurrijke zonsondergang. Het is niet overdreven te stellen dat het hier wel een andere planeet lijkt. Een onaardse beleving, zeker als we in het licht van de volle maan over de rulle zandpaadjes langs de silhouetten van de eeuwenoude tempels rijden. 

                            


In Bagan zien we wat meer toeristen, vooral Aziaten. Dit icoon van Myanmar heeft in ieder geval niet te lijden onder het sterk teruggelopen bezoekersaantal. De vele verkopers overtreffen de toeristen in aantal. Je moet tientallen keren deze verkopers van je afschudden voordat je rustig kunt rondkijken. Maar dan is het ook echt genieten. In het kleine dorpje Minnanthu, dat midden in de vlakte ligt, omringd door pagodes, worden we enthousiast begroet door een pittig meisje, dat ons in goed Engels welkom heet en zegt dat ze ons het hele dorp zal laten zien. We wandelen met haar door het dorp, gaan eeuwen terug in de tijd, en we zien het huis waar zij met haar familie woont. ’s Avonds eten we bij het vegetarische restaurant The Moon. Het ligt bij de Anandatempel, nog nèt voor de stadspoort van Old Bagan. Wij kunnen dit restaurant bijzonder aanraden!
RAKHINE
In het uiterste zuidwesten van Myanmar ligt de staat Rakhine, ingeklemd tussen ontoegankelijke bergen in het noorden en een smalle kuststrook in het zuiden. De Rakhine zijn een eigenzinnig volk en voelen zich niet zo Birmees. Omgekeerd kijken ook de Birmezen niet altijd positief tegen dit volk aan. Het zijn van oorsprong Tibetanen, maar er wonen vandaag de dag ook veel moslims uit buurland Bangla Desh, dat aan Rakhine grenst. Het kost wat moeite om hier te komen. De gemakkelijkste weg is per vliegtuig. We vliegen eerst naar Ngapali Beach, waar we in een schitterend resort aan het strand vijf ontspannen dagen hebben.
De sfeer en ons verblijf hier is geweldig. We zitten in het Amata Resort en Spa, en we kunnen het gerust luxe en comfortabel noemen. Het personeel is ongelooflijk aardig en klantgericht. Aan het strand zien we de locals voorbijkomen. Ze sjouwen met van alles: grote fruitmanden, bossen hout om straks te kunnen koken. Het dwingt respect af: vrouwen sjouwen met een ongelooflijk zware vracht op hun hoofd, kilometers lang. In de omgeving is het heerlijk wandelen: stille vissersdorpjes, waar de sfeer relaxed is.

                        
We vliegen naar Sittwe, niet ver van de grens met Bangla Desh. Sittwe is een vrij grote stad, maar dat zie je er niet zo vanaf. In de hoofdstraat is het een drukte van belang, maar je ziet er bijna geen auto’s. Hier is het stadsbeeld nog authentiek: tuktuks, fietsen met bakjes voor het vervoer van spullen en mensen, en een traditioneel geklede bevolking. Het doet hier inderdaad aan Bangla Desh denken. We logeren in één van de weinige hotels van de stad. Niet bepaald modern en comfortabel, maar we hebben weinig keuze. We wandelen ’s avonds wat door de hoofdstraat. De sfeer is levendig. Mensen op straat reageren, afgezien van een enkele bedelaar, niet op ons. Hier komen geen toeristen, en de mensen hier lijken ze ook niet echt interessant te vinden.
Sittwe is geen doel op zich. Het is een wat haveloze en arme stad, het ligt geïsoleerd en jarenlang was de stad zo ongeveer van de buitenwereld afgesneden. Nog altijd kun je er alleen door de lucht komen. Er heerst een sfeer van een dorp en van lang vervlogen tijden, en er zijn geen bezienswaardigheden die de moeite waard zijn. Het is een noodzakelijke stop op de route naar Mrauk U, wat dieper het binnenland in. Mrauk U is een kleine plaats in opkomst, vanwege de vele Boeddhistische ruines die ook hier weer te bezichtigen zijn. Een boottocht van zes uur vanuit Sittwe brengt ons er heen.
MRAUK U/CHIN
Na vertrek van de bedrijvige kade in Sittwe varen we de Kaladanrivier op, die hier vele kilometers breed is. Na enige tijd versmalt de rivier zich tot ruim 1 kilometer breed. We zitten op een oude privéboot en net als we ons afvragen of deze gammele schuit het wel gaat halen, zien we een andere boot stil liggen op de rivier. Drie Amerikaanse toeristen stappen over op onze boot, hun boot heeft het opgegeven. Het is een genot om door dit afgelegen land te varen. Slaperige dorpjes, waar kinderen behendig over de steile gladde rivieroevers naar beneden rennen om naar ons te zwaaien, waar vrouwen de was doen en verder niet veel gebeurt. Hier is in honderden jaren nagenoeg niets veranderd. Er staat een fors windje en voor het eerst in dit land hebben we het echt koud. Er is behoorlijk wat golfslag, maar als we een zijtak van de rivier opvaren wordt het rustiger en het landschap nog idyllischer. Iedereen op de oever zwaait naar ons. Het is hier groen en aan de horizon doemen de ruige bergen van de Chinstaat, ons eigenlijke reisdoel, op.
                            

Mrauk U was vroeger de hoofdstad van de staat, een belangrijke stad. Maar die tijden zijn allang voorbij en tegenwoordig is het een klein, erg arm ogend, dorpje, dat veel mooie bezienswaardige tempelruïnes heeft, die verspreid door het dorp overal op groene heuvels staan. Natuurlijk gaan we die zien en ’s middags is ons doel het 8 km verderop gelegen dorpje Vesali. Er zou hier een festival zijn, hebben we gehoord, en omdat we niet weten wat we ons hierbij moeten voorstellen is onze nieuwsgierigheid gewekt. Met een jeep hobbelen we een wel erg slechte weg. Onze ingewanden en ruggen krijgen het stevig te verduren en over de acht kilometer doen we drie kwartier. Dat kun je eigenlijk beter lopen, bedenken we ons achteraf. Bij het “festival” aangekomen zien we een klein tempeltje waar een monnik onophoudelijk en in rap tempo Boeddhistische gebeden door een microfoon heenjaagt, gadegeslagen door een groepje mannen dat wel een soort bingo lijkt te spelen. Onze chauffeur zegt: “Niet goed. Verderop: lots of people”.
En inderdaad, een paar kilometer verderop is het een drukte van belang. Bijna file en vastlopend verkeer. Er is een groot festivalterrein met vele kraampjes, een worstelwedstrijd, een volleybalwedstrijd en vooral: veel locals. Het is weer zien en gezien worden, want we zijn alweer de enige buitenlanders hier. De middag vordert en de rook, het stof, de dampen, de hitte en de ondergaande zon creëren een bijzondere, bijna onwerkelijke magische sfeer boven het hectische festivalterrein.
Het is drie uur varen naar de Chindorpen die we de volgende dag gaan bezoeken. De Chin is een bergstam, die afgelegen leeft op een nog traditionele manier. Oudere vrouwen hebben hier nog gezichtstatoeages, in de vorm van een spinnenweb. Mogelijk werd dit gedaan om ze onaantrekkelijk maken voor mannen van andere stammen, zodat het risico op ontvoering werd weggenomen. Tegenwoordig is het verboden.
                              

Als we het ietwat glibberige en steile pad opklimmen, die ons naar het dorp moet leiden, heeft het nieuws zich al verspreid. Er komen twee vreemdelingen aan. Tientallen kinderen komen aanrennen en als we op het dorpspleintje zijn beland, een grote open ruimte midden tussen de bamboehuizen op palen, heeft een hele menigte dorpelingen zich om ons heen verzameld. We voelen ons pioniers, hoewel hier natuurlijk wel vaker toeristen komen. Maar zo vaak blijkbaar ook weer niet. We worden ontvangen en begroet. Als eerste door de oude spinnenwebvrouwen. Ze geven ons keurig een hand. Foto’s maken is geen enkel probleem en we wandelen in alle rust door het kleine arme dorpje, voordat we weer op de centrale plaats komen, waar nog steeds een menigte dorpelingen staat.
Zo ongeveer gaat het een half uurtje later ook in het volgende dorp. Dit dorp is zo mogelijk nog mooier en authentieker. De oudere dames begroeten ons weer en nodigen ons uit. Zo zitten we een uurtje op een bankje. We krijgen kokosmelk en een paar banaantjes aangeboden. We verstaan geen woord van elkaar, maar de sfeer is bijzonder goed. De dames lijken het erg gezellig te vinden. 

                              
We beseffen dat de echte reden om hiernaar toe te gaan, de vrouwen met de gezichtstatoeages, er over wellicht enkele jaren niet meer is. De vrouwen hebben een hoge leeftijd en over een aantal jaren zullen zij er niet meer zijn. Het is, zoals het in veel afgelegen gebieden op de wereld is: de westerse moderne wereld doet ook bij veel oorsponkelijk levende stammen zijn intrede, hun tradities verdwijnen. Het is niet anders, maar wij vonden het toch bijzonder om dit nog meegemaakt te hebben.
YANGON/KIAUKTAN
We varen weer 3 uur terug naar Mrauk U, 6 uur terug naar Sittwe en we vliegen in twee uur tijd naar Yangon. Terug in de bewoonde wereld. Onze hotelkamer heeft een schitterend uitzicht op de Shwedagonpagode, die zeker ’s avonds prachtig glanst en glimt. De gordijnen zijn niet dicht geweest.
Op een uurtje rijden van Yangon ligt Kyauktan, dat door toeristen nauwelijks wordt bezocht. Misschien omdat het vrij onbekend is of omdat men tijd te kort heeft. Toch is het Kyauktan tempelcomplex, dat idyllisch midden in de Bagorivier is gelegen, de moeite waard. Zeker in de maand december, als het “donation-time” is. Ofwel: in deze maand komen talloze pelgrims en monniken naar dit eilandje om te offeren. En laat het nu net (nog) december zijn vandaag!
Als we aan de oever van de rivier komen worden we overdonderd door een hectisch gebeuren: honderden, zo niet duizenden pelgrims wachten op het bootje om naar de overkant gebracht te worden. Verkopers van wierook, bloemen en visvoer (er zwemmen enorme meervallen om het eilandje heen, die gevoerd kunnen worden) dringen zich door de menigte heen. Het lukt ons met hulp van onze chauffeur om een plekje in één van de gammele bootjes te bemachtigen, en in twee minuten worden we naar de overkant gevaren. Trappen vanuit het water (deze zijn door het water en modder erg glad) leiden ons naar het fraaie tempelcomplex. Al wandelend over het eilandje proeven we de bijzondere, speciale devote sfeer. Het eilandje is volgebouwd met Boeddhistische bouwwerken, het een nog mooier dan het andere. De sfeer is gezellig, vredig en relaxed. Monniken lachen, maken graag een praatje met ons en gaan met ons op de foto. Kortom, het is hier prima en gezellig vertoeven tussen de vele locals, voor wie dit ook een bijzonder uitje is.

                          
Op de terugweg naar Yangon (dat 40 km noordelijker ligt) bezoeken we halverwege in de - verder niet interessante - stad Thanlyin de Kyaik-kauk-pagode. Hij lijkt op zijn grotere broer, de Shwedagon in Yangon. Twee enorme leeuwen bewaken de trap. Er is een lift omhoog, iedereen loopt er zo naar binnen, maar als wij er aan komen lopen wordt ons daarvoor een paar dollar gevraagd. Je bent tourist of niet. Ons geld is op, we hebben genoeg besteed. We lopen de lange trappen naar boven, ondanks de klamme hitte.
En zo eindigt onze bijzondere rondreis van bijna een maand door dit bijzondere land. Het is een gemakkelijk te bereizen land (hoewel het aan te raden is van te voren wat transfers, zoals vluchten of taxiritten te regelen) en overal heb je het gevoel dat je meer dan welkom bent. Tel daarbij op de vriendelijkheid van de bevolking, die zijn gelijke bijna niet kent, de gemoedelijke sfeer, de oorspronkelijkheid van het land en de prachtige tempels en natuur, dan zien wij geen reden om niet te gaan.  “Tell your people to come; we need them” hebben verschillende mensen tegen ons gezegd. Bij deze. 


                                 
 
 Voor foto's van deze reis: renelione.magix.net