dewereldopdefoto
reizen van Lione en René Kolsteren
Over ons/ About us
42 korte reisverhalen
Brazilie, Pipa 2011
Myanmar 2011
Ierland 2010
Helgoland 2010
Marokko 2010
Bali 2010
Namibie Zambia Botswana 2009
Ecuador Galapagos 2009
Chili Argentinie 2008
Indonesie 2007
Australie 2006
Maleisië 2005
Brazilie 2004
Costa Rica 2002
Foto's van onze reizen Travel pictures
Alle landen: informatie en tips
Nieuw(s), links
42 korte reisverhalen
INLEIDING 
Reizen is geen vakantie. Reizen is hard werken. Lange dagen maken, bijna iedere dag weer. Honderden, duizenden kilometers afleggen, soms onder minder comfortabele omstandigheden. Reizen is vermoeiend. Maar het is wel een eigen keuze, en eenmaal met het reisvirus besmet is het ook geen keuze meer: het wordt een ‘obsessie’, een dwangmatige nauwelijks te beteugelen behoefte om weg te zijn. Om steeds meer van onze grote wereld te ontdekken.
Je krijgt voor je inspanningen veel terug. De ontelbare indrukken die je opdoet, de avonturen die je meemaakt, de overweldigende landschappen waar je door heen reist, de geuren, de kleuren, de mensen die je ontmoet: een gemaakte reis neemt niemand je meer af. Een land dat je hebt bezocht is altijd verzekerd van een bijzondere plek in je herinnering. Dat gaat voor iedere reis op.
Wie reist, kan verhalen vertellen, dat geldt voor iedere reiziger. En omdat er veel reizigers zijn, steeds meer, zijn er ook veel reisverhalen. En toch heeft ieder reisverhaal iets unieks. Hoe je het ook wendt of keert, op reis belandt je gegarandeerd in bijzondere, gekke, verwarrende, verrassende, mooie of indrukwekkende situaties. Eigenlijk levert iedere dag reizen voor iedereen wel verhalen op die de moeite waard zijn. Deze bron is onuitputtelijk. Ze moeten alleen opgeschreven worden.
Hierna volgen tweeënveertig korte reisverhalen. Kleine en grote gebeurtenissen die we op onze reizen hebben beleefd. Vaak hilarische voorvallen of belevenissen. Beschrijvingen van een gebied waar we doorheen reizen, indrukken, gevoelens. Onze beleving, onze perceptie. Gewone reizigers in ongewone gebieden. Met gewone voorvallen of ongewone voorvallen. Ze geven tegelijkertijd iets weer van de sfeer van een land of de mentaliteit van de bevolking. Maar altijd geschreven met een knipoog. Want reizen is en blijft relativeren.
Niet iedereen heeft de gelegenheid, de behoefte of de middelen om op reis te gaan. Maar lezen over reizen is altijd leuk. Ook vanuit een luie stoel kun je op reis gaan. Maar het allermooiste is natuurlijk om letterlijk en figuurlijk de eerste stap te nemen en de drempel over te gaan. Grote kans dat je de reisziekte zult oplopen. Eén geruststelling: het gaat nooit meer over. Met deze verhalen willen we alvast een beetje inspiratie bieden.
 
INHOUD
 
Myanmar Change money?                                                                        
India Yes, we made it!                                                                      
India  Whatever happens, GET on that train!                             
Ierland  Have a break, have a KitKat                                                                      
Marokko  Taxi, you need taxi!                                                                
Zambia   Mishek                                                                                              
Myanmar  Just passin’ through                                                                                    
Maleisië  We can be heroes, just for one day                                        
Argentinië  Naar het einde van de wereld                                                
Myanmar  Deining aan de Ayeyarwady                                                                   
Brazilië  Een rund in Rio Grande do Norte                                               
Egypte  Dat kan ziet niet, met die beentjes!                                 
India  Madam, madam, look this way please!                          
Chili  De laatste hoop                                                                             
Myanmar Het land van de PaO                                                                      
Namibië  Etosha, wildlife en Italianen                                                    
Ecuador  De Galapagos                                                                                      
Tanzania  Another day in paradise                                                            
Myanmar  November rain                                                                              
Marokko   “Down, down!”                                                                             
Australië   Kakadu, stomende hitte en Aboriginals                                 
Brazilië  High but not dry in the sky                                                       
Ecuador  Isabela                                                                                              
Gambia  No problem in the Gambia                                                       
India Lighter lighter!                                                                               
Myanmar  Tattoed ladies                                                                                
Namibië   Swakopmund, Kuchen und Torte in Afrika                        
Venezuela  Indianen in de delta                                                                    
Myanmar  Tell your people to come, we need them                         
Argentinië  Lost in BA                                                                                        
Indonesië   “O my god, dit is het einde!”                                                                   
Tanzania  Paradise by the broad daylight                                               
Namibië  Een boomhut in Kavango                                                          
Sri Lanka  De vloedgolf                                                                                   
Ierland  Twee Hollanders in den vreemde                                        
Australië  Het rode hart                                                                                 
India  Trouble in paradise                                                                      
Myanmar  Rakhine                                                                                            
Egypte  De charme van Sharm el Sheikh                                                             
Costa Rica  Cahuita: veel regen en veel reggae                                      

 
 
Plotseling realiseer ik me, dat we ons in een niet al te comfortabele positie bevinden. We zitten op twee plastic krukjes van slechts twintig centimeter hoog. Onze opgetrokken knieën bijna voor onze ogen, al ons geld op onze schoot. Vijf mannen staan groot en hoog boven ons en buigen zich naar ons geld toe. Tien armen veel te dichtbij. Veel getrek, geschreeuw en gedoe.
Associaties komen per definitie op een onverwacht en vaak ongelegen moment. Jenny Arean en Frans Halsema klinken ineens in mijn hoofd, in dit kleine broeierige hokje in een onbekende buurt in tropisch Yangon. “Vluchten kan niet meer, ik zou niet weten hoe”.

We wisten het vooraf. Geld pinnen kan niet in Myanmar. Je neemt al het geld, dat je denkt nodig te hebben tijdens je verblijf in dit land, cash mee. In puntgave gloednieuwe dollars. Dat ook nog. En die dollars  moeten weer omgewisseld worden. Op de zwarte markt wel te verstaan, want officieel staat in dit land een gevangenisstraf op het bezitten van dollars. Als toerist mag je het land in, maar het moet ook weer niet te gemakkelijk worden gemaakt.

Deze ochtend staat het te gebeuren. Het codewoord om deze missie te starten is Bogyoke Aung San Road.

We slaan linksaf deze hectische verkeersader op. Probeer geen wisselaar te vinden, zij vinden jou. Just walk. Na enkele minuten is het inderdaad raak. “Change money?”. We kijken elkaar eens aan. En dan kijken we naar hem. Goed gekleed, goed verzorgd. Maar wat zegt dat in het geldwezen? Hij biedt een koers, die gunstig is en al te veel tijd willen we hiermee niet kwijt zijn. Dus zeggen we: ja. Hij stelt voor om even een rustige plek op te zoeken. Dit zijn geen zaken om midden tussen de drukke mensenmassa af te handelen. ….

We hadden verwacht dat hij een nabijgelegen café zou ingaan, maar onze man steekt de straat over en loopt naar een brug die over het enorme spoorwegemplacement leidt. “A few minutes, short walk”, voegt hij er geruststellend aan toe. We lopen de 700 meter lange brug over. Aan de overkant gekomen zet hij er nog steviger de pas in. We lopen inmiddels een buurt in die minder bebouwd is, en vooral erg rustig oogt. “Almost there, come” zegt onze man. Verder en verder gaat het. Dit is niet meer “even een rustig plekje in de buurt opzoeken”. Dit is afdwalen, of misschien wel verdwalen, naar het onbekende. We willen omkeren, dit gaat ons letterlijk te ver.

De man wijst op een klein groezelig onderkomen onder een paar grote bomen. We volgen hem het bouwsel in en komen in een klein warm kamertje. Vlak na ons komen nog eens vier mannen binnen. Waar komen die ineens vandaan? “Sit down” zegt de man. We nemen plaats op twee plastic minikrukjes. Het gaat beginnen.

We hebben de vele verhalen gehoord over deze handige wisselaars. Op de een of andere manier lijkt het altijd te kloppen, maar dat doet het achteraf uiteindelijk zelden. Je wordt waarschijnlijk opgelicht. Voor ons is het niet zozeer de vraag, of dit ons ook gaat gebeuren, maar vooral: hoe doen ze het en wanneer, en nog belangrijker: gaan wij het dóórhebben? Red alert, alarmfase zeven. We zijn er klaar voor.

We willen om te beginnen 200 dollars wisselen. Als dat goed gaat, zien we wel verder.

Onze tasjes met het geld liggen op onze schoot. Onze man haalt een stapeltje biljetten van 1.000 kyats tevoorschijn. We tellen het na. Precies 100 biljetten. Dan halen we onze dollars uit onze tasjes. Twee maal 50 dollar, de tegenwaarde. We overhandigen deze twee biljetten. Voor de volgende 100.000 kyats tasten we weer in onze geldtasjes, nogmaals twee 50 dollarbiljetten.

Als ik het derde biljet aan de man geef, maakt hij bezwaar. Dit biljet is niet goed. Hij wil graag 20 dollarbiljetten. Ik steek het 50 dollarbiljet weer bij me en ga op zoek naar vijf 20 dollarbiljetten. Bij het tweede 20 dollarbiljet maakt hij wederom bezwaar. Dit is niet goed, een ander biljet, give me ten, zegt de man.

Nu slaat de verwarring toe. We raken geïrriteerd. Wat is dit voor vertoning? Dan beseffen we dat dit de truc is. Het driestappenplan. Een even simpel als briljant plan. Schep verwarring, buitenlander is niet meer alert, sla toe. We zijn het beu en zeggen van de hele deal af te zien. We vertrekken. En wel nu. Dat is overigens nog een probleem: we zitten op lage krukjes, geen ideale startpositie dus. Vijf mannen om ons heen in een hok waar eigenlijk voor drie mensen niet eens plaats is.

Lione is de meeste kordate van ons beiden. Ze beseft dat de man niet één 50 dollarbiljet (dat hij zichtbaar in zijn hand heeft) moet terug geven, maar twee. Ze gokten er op dat we dat in de ontstane chaos zouden vergeten. Ze trekt aan het zichtbare 50 dollarbiljet en ziet dat de man het tweede 50 dollarbiljet in zijn mouw heeft gefrommeld. “Give me that!” roept ze onvervaard en vooral luid. Op een toon die er geen misverstand over laat bestaan dat tegenspraak geen verstandige optie is. Ik weet dat allang, maar zij kunnen het beter ook weten….

Getrek en gedoe, maar Lione is onverbiddelijk. Yangon, you have a problem! Dan beseft de man dat hij ontmaskerd is. Dit heeft geen zin meer, zie ik hem denken. We wisselen alsnog keurig 200 dollars, en vertrekken dan meteen.

Onze eerste man loopt een stukje mee terug. Hij zwijgt. Wij ook, maar binnen in ons heerst een jubelstemming: we zijn deze vijf gewiekste mannen te slim af geweest! Onze man begint sneller te lopen en verwijdert zich dan van ons met een kort “bye”. Hij heeft meer te doen vandaag. Time is hier money. Nog één keer draait hij zich om. Zijn blik verraadt zijn gedachten. “Het valt niet mee om geldwisselaar in Yangon te zijn. Althans soms niet”. Onze dag kan niet meer stuk. Het valt best mee om geld te wisselen in Yangon. Althans soms…….

“We would like to have breakfast, sir” vragen wij aan de man die haastig de keuken uit komt rennen en al even haastig een andere deur weer in wil gaan. We hebben een half uur gewacht op ons ontbijt, maar meer dan koude koffie - onmiskenbaar koffie van de vorige dag, getapt uit een apparaat dat wij bij toeval vonden - heeft dat nog niet opgeleverd.
Geïrriteerd blijft hij stilstaan, maar een reactie blijft uit. “Breakfast” zeggen wij nogmaals, iets langzamer omdat wij er nog wel begrip voor kunnen opbrengen dat niet iedere Indiër even goed Engels spreekt.
 
Er verschijnt een blik op zijn gezicht, die het midden houdt tussen verzuchting “never a dull moment” en wanhoop “dit is toch echt mijn laatste dag in dit hotel”. Het moet maar eens afgelopen zijn met die domme toeristen en hun onmogelijke vragen. We wijzen op onze magen en imiteren op een denkbeeldig bord een boterham. Een leuke opdracht voor studenten van de toneelschool: “beeld een boterham uit”.
 
Hij knikt nauwelijks merkbaar en loopt weg. “With cheese and an egg maybe?”, voegen wij er nog aan toe, maar dat van dat ei klinkt al een stuk onzekerder. Vragen om wonderen doe je niet.
Een half uurtje later komt hij aanlopen met een bordje. Daarop twee voorwerpen, die in de verte aan een vorig leven als toast doen denken en waarvan wij niet weten of we het nu de kleur zwart, pikzwart of ravenzwart vinden hebben. Hard zijn ze zeker, een baksteen zou het niet verbeteren.
We besluiten om ons ontbijtgeluk maar elders te beproeven.
 In het dorpje Anjuna, even verderop, is er vanmiddag een hippiemarkt, horen we. Vooral bekend om zijn goede kwaliteit sieraden, door Europese hippies vervaardigd. De hippies, we hebben er over gelezen. Goa, toch al niet de allerarmste deelstaat van India, heeft aan hen te danken dat het in de vaart der volkeren is opgestoten. Zij “ontdekten” Goa en zetten het als verborgen paradijsje op de kaart. En zoals het met verborgen paradijsjes gaat: de toeristen kwamen met vliegtuigbakken tegelijk.
Onze middag staat vast: naar Anjuna.
 
“Anjuna, flea market” zeggen we tegen de taxichauffeur.
“Ah, flea market, that might be a problem”. 
 
A problem, denken we, natuurlijk. We informeren naar de aard van het probleem, maar de chauffeur rijdt al weg.
Al slalommend over Goa’s wegennet komt hij een kwartier later met een antwoord. Het is ongelooflijk druk bij de markt, een complete chaos, zelfs voor Indiase begrippen.
Dat wil wat zeggen, vinden we, maar we kunnen er ons nog niet zoveel bij voorstellen.
Je mag er van de politie niet stoppen, zo maakt hij ons duidelijk. Doorrijden, stoppen verboden, dat levert maar files op.
Dat wordt dus een gevalletje: hop off, hop on, letterlijk.
De chauffeur geeft ons aanwijzingen. Als hij bij de markt komt, geeft hij een teken. Hij zal een beetje vaart minderen, maar niet te veel en niet te lang. Wij springen er simpelweg uit. Easy said, easy done, lijkt zijn blik te zeggen. We maken de afspraak dat hij ons weer komt ophalen, twee uur later, en dat we volgens dezelfde procedure de taxi weer binnen zullen komen.
En zo gebeurt het: wij springen naar buiten, landen verrassend soepel en maken in ons hoofd nog snel een scan van de man en zijn taxi, opdat wij straks alles goed zullen herkennen.
Het is een sfeervolle markt. De oude hippies zijn niet meer zo talrijk, maar ze zijn er nog wel. Ook hun handelswaar is nog niet veranderd. De muziek die klinkt wel. Grateful Dead en Ravi Shankar zijn vervangen door muziek met beduidend meer beats per minute. Deze iconen van de jaren zestig zijn duidelijk meegegaan met hun tijd. 
Het is er inderdaad ongelooflijk druk. Van heinde en verre komen handelaren en bezoekers naar de markt. Sieraden, kleden, stenen, kristallen, kleding, wierook, handgemaakte kunstvoorwerpen, eten, ayurvedische dokters, dreadlock makers, piercers, ze zijn er allemaal. Spullen uit Rajasthan, Nepal, Tibet. Het is duidelijk big business.
Een kwartier voor de afgesproken tijd begin ik mijn blik wat zorgelijk op de zeer nabije toekomst te richten. We nemen het scenario zeker drie keer door. Vooral de afstemming over wie waar zal induiken lijkt ons van cruciaal belang. Tegelijk richting dezelfde plek duiken zou ons wel eens een levenslange Indiahandicap kunnen opleveren.
Het taxibusje kan nu elk moment voorbij komen rijden. Als acteurs staan wij gespannen te wachten op het signaal “action”. Stand-ins zijn niet beschikbaar….
Het lukt ons wonderwel.
Het busje komt het plein oprijden, wij herkennen hem en tellen af. Drie, twee, één, go! In een flits van een seconde grijpen we naar de al opengeschoven deuren, hebben op goed geluk meteen grip en sprinten enkele passen mee om de snelheid te vergroten, waarna we ons beiden naar binnen slingeren en met een harde plof op de vloer van het busje belanden. De chauffeur geeft geen krimp, maar wel gas.
“We made it” roepen we beide opgelucht in koor.
We moeten de triomfantelijke blik hebben van een echtpaar dat zojuist een spelletjesquiz heeft gewonnen: tien minuten rennen, glijden, glibberen, alle vragen juist beantwoorden en dan óók nog raden dat de gloednieuwe auto zich achter deurtje 4 bevindt.
De chauffeur reageert nog altijd niet. Iets minder enthousiast zeggen we: “So. We made it!”.
Dan wil hij weten wat wij dan wel gemaakt hebben.
“This car of course” roepen wij.
 
Het blijft stil. Hij weet misschien niet alles, hij is maar een eenvoudige hard werkende chauffeur, maar wat hij wel weet, is dat deze auto in een fabriek gemaakt is, en absoluut niet door ons.
Lang geleden, dat dan wel weer.
 
Zwijgend slalomt hij verder. Hij weet het nu zeker: het zijn aardige mensen, die Europeanen, hij ziet ze graag komen, maar er zit beslist een steekje aan ze los.
Hij is minimaal de tweede Indiër die dit deze dag gedacht moet hebben.
Onze gedachten zijn op onze beurt bij die gekke Indiërs.
De dag is nog lang niet voorbij.
 
Het wordt ongetwijfeld weer een mooi dagje India.

We staan op het perron van het grote spoorwegstation van Margao. Over tien minuten moet de sneltrein uit Mumbai arriveren. We zijn enkele dagen daarvoor in Goa aangekomen. Lekker op het strand was het idee, even niets, gewoon genieten. Maar na een dag of twee, het was te voorspellen, begon het toch weer te kriebelen. Buurstaat Karnataka, dat leek ons wel wat om te verkennen. Als je maar zegt waar je heen wilt of wat je wilt, is het in India niet moeilijk iemand te vinden, die dat voor je kan en zal regelen. Een gids/chauffeur was snel gevonden.

Hij leek ons betrouwbaar en zo staan we hier in de vroege ochtend te wachten op de trein naar Udupi, zes uur sporen verderop, in de staat Karnataka. Ik kijk eens rond. Wat een immens spoorwegstation, terwijl hier maar een spoorlijn loopt, die van het noorden naar het zuiden, van Mumbai naar Kerala. Veel treinen stoppen hier niet. Het perron is volkomen leeg. Geen mens te bekennen. Complete rust.

“Whatever happens…..GET on that train” zegt onze gids ineens. Niet begrijpend proberen we de betekenis van deze woorden tot ons te nemen. GET on that train? Daarvoor staan we hier toch? Lang tijd om deze voor ons cryptische uitspraak te doorgronden hebben we niet. Daar komt de sneltrein al aan en piepend en knarsend komt het gevaarte tot stilstand. Wat er de volgende twee, drie minuten gebeurt is nauwelijks te beschrijven.

Je ziet in films wel eens een tornado op een eenzame boerderij in de prairie afkomen. De bewoners denken nog: rennen naar de schuilkelder, maar voordat er een stap is gezet komt alles en iedereen in een spiraal van alles wat ronddraait. Stof, zwart, vliegende voorwerpen, een centrifuge waar niets meer te onderscheiden valt en alles steeds sneller lijkt te gaan draaien. Daar lijkt het nog het meeste op. Armen, benen, knieën, vuisten, schelden, schreeuwen. We worden overal geraakt en platgewalst. Kinderen worden over ons hoofd heen de trein ingegooid, pakketten worden tegen ons aangesmeten, het lijkt wel of de hele stad op het perron staat en tegelijk de trein in wil. En dan hebben we het nog niet over wat er allemaal uit wil. Ik krijg trappen, stompen, duwen, porren. En hoewel ik vreedzaam ben aangelegd snap ik al gauw dat de enige kans om dit te overleven is om gewoon terug te meppen. Heerlijk anoniem gelegitimeerd meppen.

Met de stroom mee worden we, ondanks de sterke tegenstroom, toch langzaam de trein ingedrukt. Het lukt ons met veel moeite, en met een ongekend hoog adrenalinepeil in ons, om onze gereserveerde zitplaatsen te bereiken. Die zijn natuurlijk bezet. Dit zelf regelen heeft geen zin. Het enige dat in India telt is gezag en dat heeft vaak een snor. Zo ook onze conducteur, die dit inderdaad snel en adequaat regelt.
We zitten! Nog geen minuut later zit iedereen rustig en relaxed op zijn plek. Er zijn zelfs nog plekken over. Waarom die kleine oorlog van zojuist, denk ik. Iedereen heeft een heerlijke plek! Ik loop de trein door om te zien of in de andere wagons misschien toevallig niet de mensen zijn opgestapeld, maar nee. Iedereen zit en nog ruim ook. De reis verloopt rustig en na zes uur komen we in Udupi aan. Karnataka, here we come.

Op de laatste avond van dit tourtje kamperen we in de Karnatakaanse wildernis. Tentje, houtvuurtje aan. Onze zeer vriendelijke gids/chauffeur heeft enkele locals uit het naburige dorp geregeld. Zij zullen ter verhoging van de feestvreugde van de gasten uit Europa enkele eeuwenoude liederen ten gehore brengen. Liederen die ongetwijfeld gaan over de moedige en heldhaftige daden van hun voorouders, over verboden liefdes of over het afslaan van een aanval door tijgers.
Het wordt een lange zit. Alle liederen gaan, althans voor onze oren, hetzelfde. Na twee uur houden ze het voor gezien en kunnen we naar onze tent.

Opgelucht ga ik liggen. Mijn gedachten gaan naar de afgelopen dagen. Tempels hebben we gezien, optochten, feesten, monniken, bergen. We hebben olifanten gewassen in de rivier nabij een slaperig plattelandsdorpje, veel vogels gezien, apen. Ja, zelfs tijgers hebben we gezien. Moe maar voldaan bedenk ik me dat ik nu wil slapen. O ja, nog één ding. Morgen gaan we weer terug met de trein. Tevreden draai ik op mijn andere zij. WE KNOW WHAT TO DO! Drie tellen later ben ik weg.

We rijden over Valentia Island. Nog verder weg dan afgelegen ligt dit kleine eiland voor de kust van Iveragh, één van de vele schiereilanden die het zuidwesten van Ierland op de landkaart zo’n grillige vorm geven. Alles is hier grillig: de ongenaakbare woeste natuur, het weer. Het regent, net als de vorige dagen, gestaag door.

Op Valentia heerst volkomen rust. Geen mens, geen auto, bijna geen huis te zien. Links van de weg staat een bord: Geokaun Mountain, voor “360 graden uitzichten op het hoogste punt van het eiland”. De altijd vriendelijke Ieren zijn niet te beroerd je te wijzen op wat ook maar enigszins de moeite waard is.

De parkeerplaats is volkomen verlaten. We gooien vijf euromunten in de toegangskaartenautomaat en rijden omhoog. Dat is tenminste de bedoeling. Het smalle pad omhoog is door de regen één gladde modderbrij geworden. René probeert de auto omhoog te loodsen, maar keer op keer glijden we in plaats van vooruit zachtjes achteruit. Dit wordt niets. We besluiten achteruit te rijden naar beneden. Twintig meter, het pad is smal, maar het moet lukken.

Komt het omdat je in een linksrijdend land als bestuurder rechts zit? Het linker voorwiel glijdt in ieder geval van het pad en zit vast in de modder. René probeert een paar keer los te komen, maar telkens schieten we iets verder door. Links van de auto ligt een greppel van een meter breed en bijna een meter diep. “Ik probeer het nog één keer”, zegt René. Maar dan wel zonder mij, denk ik. Ik spring de auto uit, in de modderige greppel en ik klauter op de kant. De laatste poging mislukt. De auto schiet met het linkervoorwiel de greppel in. Daar hangt hij, met het rechterachterwiel zeker vijftig centimeter boven de grond.

Voorzichtig stapt René uit. De auto blijft gelukkig hangen. Daar staan we dan, in de stromende regen, in the middle of nowhere.

Bellen. De Ierse ANWB. Vriendelijk zegt de dame aan de andere kant van de lijn, dat ik de Nederlandse ANWB moet bellen. ANWB: “Nee, wij kunnen niets voor u doen. U bent wel lid, maar u heeft geen Europadekking”. Ik jok, dat ik boven een afgrond(je) hang en dat de auto er ieder moment in kan glijden. Ik wil hulp, en wel nu! Helaas, wij doen niets voor u. Als je echt aan de rand van een klif zou hangen mag je blijkbaar letterlijk doodvallen. Gratis, dat wel. Thuis meteen het lidmaatschap maar opzeggen.

112 neemt de zaak wel serieus. Of er gewonden zijn? Nee, gelukkig niet. Ze gaan bellen met een bedrijf in de buurt van Valentia Island. Na een uurtje nog steeds niemand. De regen komt met bakken omlaag. Het autoverhuurbedrijf maar eens bellen. Een bandje: “check onze internetsite voor onze grandioze aanbiedingen”. Het gaat zo een minuut lang door, en de batterij van mijn mobieltje is bijna leeg….. Dan is er contact. Ja zeker, er komen enkele local guys om u te “redden”.

En inderdaad, even later komen daar de local guys aanrijden. De Garda, politie. Twee politiemannen, een jonge en een oude. De oudste bekijkt onze auto en ik zie hem denken: “ Als dit het ergste is wat ik nog ga meemaken, ga ik fluitend naar mijn pensioen, maar ook ik kan dit niet oplossen”. Dat laatste zegt hij ook. Eigenlijk mogen ze ons niet helpen, want we bevinden ons op privéterrein en daar mogen zij helemaal niet komen. Kan moed nog dieper in schoenen zakken? Jawel, dat kan en met die moed zakken wij ook letterlijk steeds verder in de modder weg. Of we zenuwachtig zijn voor de match van morgenavond, vraagt de jongste, doelend op de WK finale voetbal, die morgenavond gespeeld gaat worden.  Nederland-Spanje. Match? Als we hier niet uitkomen is er helemaal geen match voor ons, denk ik. “Ja, het zal spannend worden” zeggen we. Alsof dit al niet spannend genoeg is. Maar dit voor ons oplossen, nee, dat gaat ook hen niet lukken.

Hier zijn toch de echte local guys voor nodig, besluiten de heren. Even later verschijnen de real men op het toneel. Twee stevige boeren, die – aan hun blik te zien – meer varkentjes in hun leven gewassen hebben.
Ze moeten enorm sterk zijn, want ze tillen de auto – terwijl de jongste politieman gas geeft – op het pad, waar hij zachtjes landt. Duizend maal dank, zeggen wij, en wat zijn de kosten? Daar willen ze niets van weten. Integendeel, de boer wil mij vijf euro toegangsgeld teruggeven. Nee, natuurlijk niet, zeggen we. Sorry, zegt de man dan, ik heb geen vijf euro. Sorry? Wij zijn sorry, wij hebben alle overlast veroorzaakt.

Ik zie de man denken, en dan loopt hij op zijn tractor af. Even later geeft hij mij twee kitkats. In plaats van de vijf euro, zegt hij. Een bevrijdende lach. Have a break, have a kitkat. Ik waan me ineens in een commercial. Echtpaar rijdt auto in greppel, hulpeloos kijken, dan: twee sterke boeren die de auto er uit tillen. Lachende gezichten, de man geeft twee kitkats. De tekst “have a break, have a kitkat” verschijnt op het scherm. De voiceover onderstreept de boodschap nog eens extra. Zo’n moment vraagt om een kitkat. Die heb je na alle ellende wel verdiend. De camera zoemt nog een keer op de boer in, stralende lach. Einde.
We zijn er uit, we kunnen verder. Ierland wacht op ons.

Het is bijna twee uur ’s middags als we de Place Jemaa el-Fna oplopen. We krijgen trek in iets anders dan souks en medina. Marrakech, de parel van het zuiden, valt ons niet tegen. Vooraf hebben we de gruwelverhalen gehoord over opdringerige duistere types, die op hoge toon tien euro eisen omdat je met een camera op je buik rondloopt. Voor die foto zal betaald moeten worden, madam, en dat terwijl je camera de tas niet uit is geweest.

Maar vooralsnog blijken het indianenverhalen. We hebben ongestoord door de stad kunnen lopen, en we ervaren de sfeer niet als opdringerig of vervelend. Integendeel.

Goed, het is zeker een poppenkast, een toeristencircus, maar het is zeker de moeite waard om hier een paar dagen te zijn. Rijen dik proberen de toeristen zich door de nauwe en drukke straatjes van de oude stad te wurmen, traag als slierten gehakt die uit een gehaktmolen geperst worden. En al even eenvormig. Er is bijna geen doorkomen aan. Het is duidelijk dat hier de wet van de omzetten geldt. Kopen, kopen, en vooral niet kijken. Tot onze verwondering worden wij nauwelijks aangesproken. Misschien worden we gewoon goed in het opzetten van een “I am a tourist, but not one of them”gezicht?

We besluiten terug te gaan naar ons hotel in de buitenwijk. In gedachten zie ik mijzelf over een kwartiertje aan die lekkere pastamaaltijd, die we gisteren in de buurt van ons hotel ook hebben weten te scoren. Nu eerst even snel op zoek naar een taxi.

Soms denken wij wel eens van onszelf dat we ons gedegen hebben voorbereid, maar op dit moment maak ik, zonder het nog te beseffen, meteen maar de nr. 1 fout uit de ´Top Tien Kapitale Denkfouten In Marrakech´. Een taxi nemen en ‘even snel’ zijn hier begrippen die elkaar absoluut niet verdragen. Een taxirit is een product, dat neem je niet ‘zo maar’ af. Daar dient uitgebreide onderhandelingstijd voor ingecalculeerd te worden. Hier ben je onderdeel van de show, of je wilt of niet.

Fout nr. 2 uit de Top Tien laat niet lang op zich wachten.

We gaan, na een paar weigeringen, in op het voorstel van een “handlanger” om voor ons een taxi te zoeken. 50 dirham, zegt hij, als we alvast maar naar de prijs informeren. We maken daar 40 van. Dan is dat maar geregeld, want we willen het nog steeds snel: we hebben geen zin in het onderhandelingsspel vandaag. De “lokman” brengt ons naar een taxi die klaar staat op de taxistandplaats. Daar vraagt de taxichauffeur 60. We protesteren en zeggen dat we met zijn compaan 40 hebben afgesproken. Maar blijkbaar hebben wij een andere taxichauffeur dan de maat van onze lokman aangesproken. 50 zegt hij dan. Een weer andere chauffeur (?) roept weer dat 40 OK is.

Dan komt er nòg een andere man geagiteerd op ons afstormen. Het straattheater gaat beginnen en wij worden, zonder dat we dat op dit moment doorhebben, van hoofdrolspelers langzaam naar de figurantenrol teruggedrongen. De hevig opgewonden man blijkt de, waarschijnlijk zelf verklaarde, “baas” van deze standplaats. Hij bepaalt hier de ritten en de prijzen. Of we dat maar goed in onze oren willen knopen. Het is ook altijd wat met die hardleerse toeristen.

Hij biedt op hoge toon en met hoorbare boosheid in zijn stem een rit voor 30, maar we voelen ons gebonden aan de zojuist gemaakte afspraak van 40 met de andere chauffeur. Deze zwaait opgelucht de portieren van zijn auto voor ons open en we nemen plaats. Dan volgt een stuk drama, waar zelfs het Italiaanse volkstheater nog een puntje aan kan zuigen. De maffiabaas, zoals wij hem inmiddels noemen, is werkelijk woest. Zijn woede richt zich aanvankelijk op de arme chauffeur. Al snel neemt dit onvervalste drama de vormen aan van een heus opstootje.

Er staat inmiddels een flink aantal mannen om onze taxi heen. Er wordt geschreeuwd, gevloekt, gescholden, geduwd. De auto wordt heen en weer gezwaaid en geschud, en maffiabaas wordt steeds dreigender. Eerst voelen wij ons binnen nog veilig, maar nu verwachten wij ieder moment uit de taxi gesleurd te worden. Dan volgt de apotheose.

Maffiabaas gaat languit op de motorkap liggen, alsof hij het wegrijden van de taxi, met ons er in, zo kan beletten. Met zijn volle gewicht, dat zo te zien de honderd kilo met gemak haalt, en zijn armen gespreid over de motorkap blijft hij roerloos liggen. Hij lijkt niet van plan zijn positie zo maar op te geven. We willen uitstappen om een andere taxi te zoeken, maar we durven niet. De gemoederen buiten zijn inmiddels tot het kookpunt opgelopen. De pastamaaltijd lijkt verder weg dan ooit. Niemand lijkt meer aan ons te denken, daar binnen in de auto. Weten ze nog wel dat wij daar zitten?

Dan richt maffiabaas zich eindelijk op. Het vloeken gaat door, maar hij staat weer naast de auto. Onze chauffeur springt er onverwacht snel in, start, zet hem razendsnel in zijn achteruit en scheurt gierend naar achteren.

Even later zitten we vast in het drukke verkeer van Marrakech. Of we Marrakech leuk vinden, informeert hij. “Yeah, nice friendly town” zeggen wij niet erg overtuigend…..

De arme man zal op zoek moeten naar een andere taxistandplaats. Daarginds zal hij zich zeker niet meer kunnen vertonen, tenzij hij suïcidale gedachten heeft. Hij heeft wel wat over voor die 40 dirham, bedenken wij. Maar hij lijkt alleen aan de winst van het moment gedacht te hebben. Hij ziet ongetwijfeld wel weer. Tomorrow is another day.

Bij Marrakech moet ik altijd denken aan het zoetgevooisde nummer Marrakech Express van Crosby, Stills & Nash, uit de late zestiger jaren. Maar ja, dat ging over een trein en Marrakech stond toen nog voor “magisch” en exclusief. Zoetgevooisd is Marrakech niet. En van het magische jasje heeft zij zich door het massatoerisme al lang ontdaan. Levendig, never a dull moment, dat is zij zeker. En met deze gedachten werk ik mijn eerste slierten spaghetti naar binnen.
 
We rijden door het zinderende landschap van Zuid-Namibië. Eenheden van tijd en ruimte zijn hier meer dan ooit een menselijke uitvinding, want ze lijken er niet toe te doen. Vooruit door dit lege onbegrensde land. Een verzengend heet bijna onaards landschap. Keien, rotsen, stof, oneindige gravelwegen. Alsmaar rechtdoor. Onbegrensde ruimte, puur, een soort oerlandschap. De hoge granieten rotsbergen die soms opduiken zijn een welkome afwisseling. Het land van de San, Hottentotten, Nama. The land where the spirits roam free….
Ik ontwaak ruw uit mijn gedachten als de safaritruck stopt. Fish River Canyon. Tot onze verbazing (en opluchting) doet niets er aan denken dat dit een toeristische attractie is. We staan nog steeds in the middle of nowhere. Niets bijzonders te zien. Dat zal nog wel een aardige wandeling worden naar de Canyon, denk ik. Maar na enkele tientallen meters lopen duikt hij onverwacht voor ons op. Oeps, ravijntje, niet gezien.
De blik naar beneden op deze canyon is overweldigend. Alsof moeder aarde een stukje van haar schoot heeft geopend, maar haar geheim nog net niet heeft prijsgegeven. Een oppervlakkig litteken op de aardkorst. Maar wel één van 160 km lang, 500 meter diep en 27 km breed. Niet de grootste canyon ter wereld. Grote Broer in de USA en eentje in Mexico moeten de Fish River Canyon in grootte laten voorgaan.
Voor mij is hij groot genoeg. Een peilloze diepte. De verschillende lagen van het gesteente hebben prachtige kleuren in het licht van de late namiddagzon. En helemaal onderin stroomt het kleine riviertje de Fish. Naamgever van deze imposante scheur. Als een nietig wormpje kruipt hij voort. Geen toeristenmassa’s, bebouwing, schreeuwerige reclame. Het is zoals het is en zoals het altijd is geweest.
We wandelen langs de afgrond en genieten in stilte. Na een uurtje bereiken we onze truck, die een paar kilometer door is gereden om ons daar weer op te pikken. Ik zie Mishek bij de truck staan.
Mishek, onze gids/chauffeur, die niet alleen de 7000 km van onze rondreis moet chaufferen, maar ook gidst, incheckt bij accommodaties, toegangen regelt, proviand inslaat, de truck schoonmaakt, vraagbaak is. Hij is van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat in touw. Een paar uurtjes slaap en dan weer een dag. Een grote sterke man, die altijd maar fit moet zijn om weer een nieuwe dag zijn werk te doen. Zwaar werk.
Hij doet dit al jaren. Zuidelijk en Oostelijk Afrika kennen geen geheimen meer voor hem, vertelt hij. Hij komt uit Zimbabwe. Geen Zuid-Afrikaan dus, wat ik tot nu toe dacht omdat wij met een Zuid-Afrikaanse organisatie op pad zijn. Zoals zoveel Zimbabwanen is ook hij uitgeweken naar Zuid-Afrika.
Zimbabwe. Een land op de rand van de afgrond, denk ik. Eens een prachtig land, dat alles in zich had om zichzelf tot een succes te maken: vruchtbare grond, natuurwonderen. Door wanbeleid en corruptie is het land nu in chaos. Het grootste deel van de grond ligt er onbewerkt bij. Weinig voedsel, weinig banen, veel onderdrukking en veel intimidatie. Hier regeert geen regime, hier regeert de waanzin. Een verbijsterende situatie.
Mishek vertelt dat zijn gezin in Harare woont. Hij zelf is er bijna nooit. Als hij straks onze tour heeft voltooid in Johannesburg, moet hij meteen doorrijden naar Kaapstad, om daar onmiddellijk met een nieuwe rondreis van drie weken te beginnen. Waarom doet hij dit zware werk? Hij spaart voor zijn kinderen, antwoordt hij. Die moeten studeren. Ook in Zimbabwe moet dat een sleutel voor een betere toekomst zijn.
Hij vertelt dat hij een paar jaar geleden een behoorlijk kapitaal bij elkaar had gespaard. Van de ene op de andere dag was dat niets meer waard. Ik stel het me voor: je gekoesterde fortuin bij het grof vuil gooien. Waanzin.
Ik heb met hem te doen. “Do you think there is a solution for Zimbabwe?” Hij zwijgt. Hij weet het niet. Wat een rare vraag denk ik. Wie weet het wel? Soms komen woorden sneller dan de rem op mijn gedachten aankan.
“Do you think it will be better when mr. Mugabe will be gone?”. Dood zeg ik niet, hoewel dat gezien zijn hoge leeftijd een reële verwachting op afzienbare termijn is. Gone. Alsof dat alles oplost.
Domme vraag, alweer, denk ik. In het westen hebben wij het beeld van Mugabe als een maniak, een man die blanken zo haat dat hij ze van hun land berooft en erger. Terwijl ook deze blanken al generaties lang medebewoners zijn van dit land. Voor ons onbegrijpelijk dat deze man zijn gang kan gaan. Maar in Afrika wordt er toch ook anders over hem gedacht. Buurlanden die hem zelfs steunen of dat lange tijd deden. Mugabe is een Shona, Mishek ook, zoals de meeste Zimbabwanen. Alsof één man van je stam verantwoordelijk kan zijn voor alle ellende, lijkt hij te denken.
“Ik denk dat het nu langzaam de goede kant opgaat” zegt hij. Dan is hij weer stil en staart voor zich uit. Hij staat bijna bij de afgrond, net als zijn land, maar hij staat stevig en is zeker niet van plan er in te vallen. Bij het diner die avond is hij zwijgzaam. Hij antwoordt beleefd als hem een vraag gesteld wordt. En even later is hij weer ver weg. In Harare ongetwijfeld.
Ik moest aan hem denken toen ik onlangs bij toeval op het web een berichtje las uit een plaatselijke krant van Livingstone, Zambia. Een tragisch ongeval. Er was een toerist uitgegleden, in de kolkende watermassa terecht gekomen en gevaarlijk dicht beland bij het punt waar de Victoria Falls naar beneden donderen. Een Zimbabwaanse gids in Zuid-Afrikaanse dienst was in het woeste watergeweld gestapt en had hem de hand gereikt om hem terug te trekken. Daarbij was hij zelf uitgegleden en de diepte ingesleurd. Eén afgrond verwijderd van Zimbabwe.
Ik zal nooit weten of het Mishek was. Ik hoop voor hem dat hij nog steeds leeft en zijn dromen kan dromen. Dromen houden je in leven. Want als je niet meer droomt, ben je eigenlijk al een beetje dood….
 
 

Wij hebben het geluk om in Bagan Koelin tegen het lijf te lopen. Koelin heeft een horsecart. Het is zijn bron van inkomsten. Op onze vraag wat zijn tarief is voor een rondrit antwoordt hij verlegen en bescheiden dat hij dat aan ons overlaat. Hoe lang willen wij?
Koelin begrijpt precies wat wij willen. En dat is niet het standaardrepertoire Bagan. Wij willen stoppen, waar anderen dat niet doen, en omgekeerd. Wij willen vooral de tijd hebben aan onszelf en voor de niet voor de hand liggende plekken. En dus rijdt Koelin ons rond, stopt op plaatsen waar hij anders niet stopt, en omgekeerd. Hij wacht rustig, desnoods een uur, totdat wij weer uit een tempel gekropen komen. Hij rijdt rustig, en stopt zonder morren op ons commando voor een fotoshoot. Wat hij vaak moet doen. Koelin is een vriendelijke rustige man. Een man naar ons hart.
Het is bijna avond als we de terugweg naar Old Bagan aanvaarden. De duisternis valt, zoals overal in de tropen, snel in. De omgeving vervaagt binnen een paar minuten. Het opdwarrelde stof boven deze vlakte is al snel niet meer te zien. Een verkoelend windje steekt op. Met een lekker gangetje sjokt ons paard voort over de mulle zandpaadjes. De tempels, de stupa’s en pagodes worden silhouetten, beschenen door een halfwassen maan. Soms verdwijnt de maan achter de silhouetten van de tempels, achter de donkere bomen, maar altijd komt hij weer tevoorschijn en reist met ons mee. In hetzelfde tempo. Een onvoorstelbaar gevoel van genot en geluk neemt bezit van ons. Wat is dit onaards mooi.
Naast deze gelukzalige gevoelens dalen ook verheven gedachten op mij neer. Dit was ooit een grote stad, een metropool, zeker voor haar tijd. Hier werd geleefd door meer dan 200.000 mensen in hun houten huizen, die omringd werden door honderden, duizenden tempels. De stad is allang dood, haar ziel is weg. Wat rest zijn de restanten van haar karkas: de tempels die, in tegenstelling tot de houten huizen, van de tijd een beetje uitstel van executie hebben gekregen. Overblijfselen die uitgestrooid lijken te zijn over de dorre vlakte. Nog weinig aangevreten door de tanden van de tijd.
De tijd, die altijd wint. Ook van ons, mensen. We zijn voorbijgangers in de tijd, voorbijgangers op deze plaats. Travellers, just passin’ through. Maar we zijn er wèl: hier en nu, in een kleine adempauze van de tijd, die we zo lang mogelijk proberen vast te houden. We prijzen ons gelukkig hier te mogen zijn. Dan verschijnen de vage lichten van Old Bagan. De drukte op straat neemt toe en de magic spell is weer voorbij. Alles is tijdelijk.
We zijn zo tevreden over onze eerste dag met Koelin, dat we de volgende dag weer met hem meegaan. We rijden naar een ander deel van de vlakte en belanden zo in de middag in het dorpje Minnanthu. Een klein typisch Birmees plattelandsdorp, waar de tijd honderden jaren stil gestaan lijkt te hebben. “Koelin, stop!” roepen we, want als we ergens gek op zijn is het op dorpjes waar je als enige toerist heerlijk rustig kunt rondwandelen, genietend van het authentieke.
Een meisje komt enthousiast naar ons toe rennen. “Hello” roept ze vriendelijk. Ja hoor, natuurlijk mogen we hier rondwandelen, en alles bekijken. Ze biedt, vrolijk doorkwebbelend, aan om met ons mee te lopen. Ze zal ons alles vertellen. En dat doet ze, met verve. We zien de huizen en de mensen van het dorp, haar eigen huis. Wat een leuk onthaal. En wat spontaan dat we hier zo maar mogen rondkijken, terwijl we toch vreemdelingen zijn. We boffen maar, vinden we. Vóór haar huis zit Oma. Oma is 82 jaar en geniet van een enorme sigaar. We mogen Oma best op de foto zetten, zegt ze. En dat doen we. Oma poseert gewillig, verwoed trekkend aan haar reuzensigaar.
Dan nadert het einde van de spontane rondleiding. Tijd voor de ‘beloning’. Ze vraagt ons om make-up spulletjes, maar die hebben we niet meer. Alles is al weggegeven. We geven haar geld, maar het valt haar tegen. Geld is leuk, maar als je er niet de spullen voor kunt kopen die je wilt, gewoonweg omdat ze er niet zijn, is dat niet waar ze op had gehoopt. Teleurgesteld loopt ze weg.
Wij lopen naar onze horsecart. Op dat moment verschijnen er zowaar twee andere toeristen. We dachten in een onontdekt achterafdorpje te zijn beland, maar blijkbaar hebben deze twee het ook weten te vinden. Het gezicht van het meisje klaart op. Ze loopt op de toeristen af, even enthousiast als ze op ons kwam aflopen. “Hello” horen we haar nog zeggen.
In de dagen erna heb ik nog wel eens aan haar moeten denken. Een klein fragiel meisje, dat eerder 12 jaar oud oogde dan de 17 jaar die ze zei te zijn. Maar wel met pit, met een ongelooflijke energie en enthousiasme. Ze sprak goed Engels. Ze had dat niet op school geleerd, want naar school was ze nooit geweest. Ze had het geleerd door met buitenlanders te praten. 
“Wat jammer toch”, bedacht ik me. “Een meid met zoveel energie en intelligentie die niet de kans krijgt om te studeren en iets te bereiken in haar leven. Ze zal trouwen en in één van de dorpen hier blijven, kinderen krijgen wellicht en ploeteren op het land, haar levenlang. Ze heeft beslist méér in haar mars, maar het zal er nooit van komen”. 
Terug in Nederland herkende ik haar op foto’s van andere reizigers. Regelmatig zelfs. Samen met Oma. Het rondleiden van toeristen, zo besefte ik mij toen pas, was gewoon haar ‘job’. Een tourist-trap dus (maar wel een leuke). Geef haar eens ongelijk. Die meid komt er wel, sterker nog: ze is er al. Over haar hoef ik me met terugwerkende kracht geen zorgen meer te maken.
De tijd schrijdt voort, zelfs in Myanmar, zij het wat langzamer. Als de tijd haar dorp ooit in een toeristenopenluchtmuseum zal hebben veranderd, is zij misschien wel de directrice. De tijd zal het leren……
 
Ik ben doorgaans niet bang aangelegd. Dat durf ik met een gerust hart wel te zeggen. Bang voor dieren ben ik al helemaal niet. Eerder ga ik in mijn enthousiasme vaak verder dan op dat moment verantwoord is. Wandelen en knuffelen met leeuwen, een stapje voorwaarts doen als de krokodil aan de waterkant dat ook doet (in mijn richting), een neushoorn mag mij op een paar meter passeren. Op Lombok wees ik eens de leider van een groep makaken terecht. Hij had zijn banaantje al gehad en ik vond dat anderen aan de beurt waren. Toen de chief opnieuw een banaan uit mijn handen graaide, hief ik dreigend mijn vinger omhoog, keek hem strak aan en schreeuwde”Pas op jij hoor!”. Een beetje apenkenner weet dat dit voor een aap het signaal is om aan te geven dat je met hem wilt vechten. Onze chauffeur die naast mij stond deed alvast een paar stapjes achteruit.
Nee, angst voor dieren zit er bij mij niet in. Er bestaat slechts één nachtmerrie voor mij, en dat is het spul dat het liefst door rottende onderaardse plekken en onder bedompte stenen kruipt, krioelt en kronkelt. En bijt en steekt. Vlooien, wantsen, grote torren, duizendpoten. Een aanwinst voor het kleurrijke spectrum van het dierenleven kan ik het niet noemen. De ergste: ik durf het alleen op te schrijven, niet eens uit te spreken. BLOEDZUIGERS.
Dit is een verhaal over my hero. My hero for one day.
Bij heroes zie ik mannen die langs een touw in kolkende rivieren afdalen, omdat daar een auto met mensen erin verzwolgen dreigt te worden. Mannen in brandende huizen, die door dikke giftige rook die laatste kamer ook nog inspecteren omdat ze een zwak geluid menen te horen. Tarzans in de jungle.
Mijn René heeft in de jungle niet zo heel veel van een Tarzan, laat staan van een hero. Ook buiten de jungle niet trouwens. Een intellectuele man, vriendelijk en altijd hulpvaardig, en bijna altijd verstandig. Sportief en heldhaftig, nee, dat zijn geen sterke punten. Je moet niet het onderste uit de kan willen.
David Bowie zong ooit in zijn befaamde nummer “Heroes”: “We can be heroes, just for one day”. 
Deze dag in februari 2005 is René’s ene dag, alleen hij weet het nog niet. Met zijn zwakke knieën ploetert hij die ochtend met mij, twee Amerikanen en een plaatselijke gids door de jungle van Borneo. Het is heet, vochtig, zompig en dampig. Een delta van zweetriviertjes stroomt langzaam ongecontroleerd over onze lijven omlaag. Eén kilometer ploeteren staat hier gelijk aan tien kilometer wandelen. Ons is geadviseerd dichte kleding aan te trekken. “Oh, just small insects” was de luchtige verklaring van de gids op onze vraag waarom. Mijn regenjack zit aan alle kanten strak dichtgesnoerd, mijn broek zit beneden potdicht, dikke sokken, de veters van mijn schoenen strak aangetrokken. Een onneembare vesting. Denk ik.
Onze gids wandelt ontspannen alsof hij zijn slome ochtendwandelingetje doet om op gang te komen. Wij ploeteren, klauteren, zuchten en puffen. Duizenden poriën staan wagenwijd open. De gids vertelt over planten, de ene eetbaar, de andere giftig en in staat om je de meest vreselijke kwalen te bezorgen. Horrorverhalen. “You have to be very experienced to know which one you can take and which one not, in order to survive”. We geloven het graag. We surviven op dit moment al meer dan genoeg. Na een uurtje komen we bij de waterkant. Beneden in de rivier liggen onze bootjes klaar. Een steile afdaling langs modderige en gladde aarde en rotsblokken.
“Be careful, there can be leeches here”. De volkomen onverwacht uitgedeelde dreun komt hard aan. Uit Thailand weet ik maar al te goed wat leeches betekent. BLOEDZUIGERS.
Hoewel ik mijn lichaamstemperatuur op wel 50 graden inschat, trek ik aan vijf koordjes tegelijk. Ritsen gaan nog verder dicht. René staat inmiddels beneden bij de bootjes. Ik sta nog boven.
“RENÉ, HIJ ZIT BIJ MIJN………” galmt mijn stem ineens door het oerwoud. Vreemd eigenlijk dat je censuur moet toepassen op iets dat de helft van de mensheid bezit. Tientallen synoniemen zijn er voor, van plat tot ondeugend tot lyrisch. Maar ik wil geen ruzie met de censuur. Dààr dus, down under.
Ik voel heel duidelijk iets kriebelen in mijn slip en als ik mijn broek losgooi en een blik naar beneden werp zie ik hem. Dichtbij het ultieme doel heeft deze zeer ongewenste indringer zich al aardig volgezogen en hij lijkt niet van plan zich dit buitenkansje te laten ontgaan. Bewegingloos doet hij zich te goed aan dit exquise diner.
“Don’t panic, I’ll take care of it” zegt onze gids.
Hij heeft zijn laatste woord nog niet gezegd of ik hoor een enorm tumult, alsof de Great Migration plotseling op Borneo is opgedoken. Het duurt nog geen drie seconden. Dan staat René naast me. René, die meestal strompelt met zijn pijnlijke knie, niet vooruit te branden. Maar nu heeft hij de steile glibberige helling genomen alsof hij kan vliegen. Geen Tarzan die hem die nadoet. Behendig vindt zijn hand de B-spot en hij draait met één en dezelfde beweging de bloedzuiger uit mijn slip. Zelfs de gids staat perplex. My hero, mijn redder.
Na één van de langste boottochtjes uit mijn leven gooi ik, in de lodge aangekomen, razendsnel - en nog steeds een beetje in paniek - al mijn kleren van me af. Ik wil weten of er echt niets meer zit. René loopt de deur uit naar de receptie. Op zijn arm zie ik een dikke bloedzuiger zitten. Hij zelf heeft niets in de gaten. Wat een hero, denk ik……..

We rijden al enkele dagen door Patagonië. De “desierto” noemen de Argentijnen dit gebied, dat de hele onderste helft van Argentinië (en Chili) beslaat. Een gebied waar je niets te zoeken hebt. En dat doen de Argentijnen dan ook niet.
Het complete niets. Ik snuif iedere meter op als we voortrazen over de vlakte, die bedekt is met puin uit de Andes en met steppegras. Patagonië. Leeg, woest en onmetelijk land. De eeuwige wind die blaast. Tijd en plaats lijken niet meer te bestaan, als ik achter me de horizon zie wegschuiven en voor me precies hetzelfde landschap zie. Niets doet hier aan leven, aan de bewoonde wereld, denken. Af en toe een schaap (wat doen die hier?), een wegspringende guanaco of een overvliegende condor. Honderden kilometers glijden weg en nog honderden te gaan. Hoewel het een optie is om sommige stukken vliegend te overbruggen, hebben we er bewust voor gekozen om de lange weg naar beneden kilometer voor kilometer af te leggen. Eindeloze kilometers waar geen einde aan lijkt te komen, maar waar wel degelijk een einde is. Het einde van de wereld. Ons ultieme doel. Voor deze reis dan.
Als kind sprak het einde van de wereld, Vuurland, en ook Patagonië, tot mijn verbeelding. Met rode koontjes op mijn wangen van de slaap verdwaalde ik, ongemakkelijk liggend onder het leeslampje, in de boeken over deze verre spannende werelden, waar je eigenlijk nooit zou kunnen komen. Onbereikbaar ver weg. Vuurland, alleen de naam al had iets magisch. Alsof sprookjeslanden ook echt bestonden.
Patagonië sprak niet alleen tot mijn verbeelding. Avonturiers, gelukszoekers, immigranten. Uit heel Europa begonnen ze iets meer dan honderd jaar geleden toe te stromen. Hier was ruimte, hier was genoeg land. Kiest u maar uit. Ruimte voor de schapen, wol werd de sleutel tot een nieuw hopelijk succesvol bestaan.
De moderne mens is visueel ingesteld op verscheidenheid in wat we zien, variatie, markante punten, verandering, opvallende zaken. In het complete niets blijven mijn ogen hiernaar zoeken. Maar alle struikjes zijn hetzelfde, de horizon blijft hetzelfde. Het is eindeloos, dor en schraal. De wind blaast, de wind huilt. Zonder onderbreking.
Ik bedenk me hoe het moet zijn geweest voor de arme immigranten in de 19e eeuw. Maandenlang op een boot voor de overtocht over de oceaan, en dan weken lang zwoegen door dit onbekende genadeloze land, met hun huifkarren en hun schamele bezittingen. In Europa hadden ze niets, hier was niets, maar gloorde wel de hoop op iets. In deze eindeloosheid besluiten om te stoppen, een huisje te bouwen, wat schapen, en dan maar zien.
De ongenadige snoeiharde ijswinden in de winter, de wind die van alle kanten komt en alle gedachten wegblaast. Overleven was het motto. Het lukte aanvankelijk, maar tegenwoordig is er weinig meer over van de schapenteelt. En verdwenen ook de mensen. De natuur gaat hier zijn gang, zoals die dat al miljoenen jaren gewoon is te doen. De mens is hier slechts een voorbijganger.
De kaarsrechte weg gaat maar door. We zien veel van Patagonië, want aan de randen van deze onmetelijke steppe is wel degelijk genoeg te zien, wat onze ogen aan het werk houdt. De Andes, overweldigende bergen, ijsvelden, meren, de pinguin- en zeeleeuwenkolonies op Pensinula Valdes, backpackerstadjes als El Calafate, El Chalten, natuurpark Torres del Paine. Maar na de zuidelijkste stad van Chili, Puerto Natales, als we de Baai van de Laatste Hoop achter ons laten, alsof er geen hoop meer is, verdwijnen we - in onze nietigheid - weer in het volkomen niets. De weg naar het zuiden gaat door. Op naar het einde. Er lijkt geen einde aan te komen. Na twee weken iedere dag honderden kilometers naar het zuiden begin te twijfelen of die onderkant van de aardbol echt bestaat.
En dan steken we over naar Vuurland. Tierra del Fuego. Dat klinkt al wat magischer dan wat wij er als Nederlanders van maken. Het uiterste puntje van Zuid-Amerika, waar stormen vele schepen op de kust liet stuk slaan, waar niemand woonde en waar geen mens ooit kwam. Waar de Indianen desondanks overleefden.
Het moet verschrikkelijk hard geweest zijn, het leven hier. Gekleed in dierenhuiden, met mocassins aan de voeten, moesten zij stormen, ijs, regen, sneeuw doorstaan. Lange sterke mannen, waar de eerste Europeanen bang voor waren. Ze hebben het niet overleefd. Ook hier hebben de Europeanen - in hun ongebreidelde drift om alles te veroveren en om over alles te heersen - hun werk niet halfslachtig gedaan. Er is geen Indiaan meer over.
Ook op Vuurland lijkt er geen einde te komen aan de weg. Maar dan, na de laatste bergrug, daalt de weg eindelijk over een lang uitgestrekt stuk naar de zee, naar Ushuaia. De zuidelijkste stad op aarde. Een havenstad, de poort naar Antarctica.
Als de regen-, hagel- of sneeuwbuien de stad genadeloos geselen, geeft dat een haast onwerkelijke sfeer. Het verbaast me weer eens dat mensen werkelijk overal kunnen wonen, ook op de meest onwaarschijnlijke plekken van de wereld. De bomen van Vuurland staan bijna in een hoek van 90 graden, door die altijd beukende wind. Het schijnt de 50.000 inwoners van de stad niet te deren. Ushuaia is een bedrijvige stad. Er moet gewerkt en verdiend worden.
We rijden van Ushuaia 80 kilometer naar het zuidoosten. We gaan met een zodiak over het Beaglekanaal naar Isla Martillo. Een eiland onder Vuurland. Als we aanmeren worden we opgewacht door pinguïns. Verbaasd, maar niet uit het veld geslagen, kijken zij ons aan.
Het einde van de wereld is een relatief begrip. Kwestie van hoe je de wereldbol vasthoudt en er naar kijkt. Het kan het noorden van Groenland zijn, Kamchatka, Nieuw-Zeeland. Maar als je de wereld plat op een kaart tekent, is dit wel het zuidelijkste puntje van alle continenten, Antarctica uitgezonderd.
We zijn van het continent Amerika af. Voorbij het einde van de wereld. Nederland is verder weg dan ooit. Hier is het ruig, prachtig en puur. Het einde van de wereldgevoel dat ik krijg klopt met het beeld uit mijn jeugd. Het onbereikbaar geachte toch bereikt. Het is bijna onwerkelijk. De striemende regen is opgehouden en de doorbrekende zon zet dit totaal stille eiland in de prachtigste kleuren groen. Ik begrijp de pinguïns die mij aan alle kanten omringen wel. Hier wil je eigenlijk nooit meer weg.

 
Uiteindelijk besluiten we om alles maar uit te delen. We kunnen er niet meer om heen, willen we ons vege lijf nu nog redden. De dames zijn dolgelukkig en glimmen van oor tot oor. Maar hiermee is de rust bepaald nog niet teruggekeerd.
 
We rijden vroeg over de nieuwe brug het chaotische Mandalay uit. De sfeer verandert van het ene op het andere moment radicaal: het is weer terug in de tijd. Rust. Landerige dorpen. Krakende en piepende ossenkarren. Vrouwen met manden en bossen hout op het hoofd.
 
In een klein eenvoudig dorpscafé drinken we iets waarvan we niet weten wat het is, maar dat als koffie is besteld. Het is alsof we ons in een scène van een avonturenfilm bevinden. We zijn de enige westerlingen en worden van alle kanten bekeken, zoals wij onze ogen uitkijken en genieten van deze totaal andere wereld. Mannen in hun wikkelrokken zitten op een laag bankje rond een tafel. Wij zitten aan een andere tafel, ook op lage bankjes. Aan een derde tafel zitten monniken. Het is hier kijken, en bekeken worden. Kinderen en volwassenen staren ons langdurig aan. Wandelend door het dorp, klinkt achter donkere ramen “bye-bye” (bedoeld wordt: “hello”). Wij zien ze niet, zij zien ons wel.
 
Even vóór Monywa willen we de Sambuddha-Kat-Kyawpagode bezoeken. Plotseling komt een militair uit een in de grond gegraven put (!) omhoog en loopt met zijn geweer vooruit gericht op onze auto af. In jonge, en waarschijnlijk nog niet zo standvastige, militairen met een geweer moet je doorgaans niet al te veel vertrouwen hebben, hebben we wel eens begrepen. Wegwezen, is onze eerste gedachte.
 
Maar onze chauffeur wordt hier niet koud of warm van. Hij begint rustig uit te leggen, dat we naar de pagode willen. Het is een discussie waar wij niet eens over denken om hem te beginnen. Welk staatsvoorschrift hebben wij –onbedoeld weliswaar, maar leg dat maar eens uit – overtreden? En welke straf staat daar hier op? Er komt een tweede militair aanlopen. Onverstaanbare zinnen worden gewisseld. Dan tenslotte verschijnt een dure auto met geblindeerde ramen, die opengaan.
Dit is duidelijk een hoge militair. Hij hoort het ‘probleem’ aan, neemt de twee buitenlandse inzittenden vriendelijk maar streng op, en komt na een lange stilte met zijn oordeel: “Niet doorrijden, niet stoppen”. Onze chauffeur lost dit onmogelijke dilemma op door om te keren en snel weg te rijden. Pottenkijkers niet toegestaan vandaag. De volgende dag zien we op het journaal dat de legerleiding die dag de pagode heeft bezocht. Ze doen niet anders: lintjes doorknippen, kijken hoe de bouw van een weg vordert (nauwelijks dus) en tempels bezoeken, want ook deze machthebbers blijven Boeddhisten.
In Pakkoku stoppen we bij de rivier. Hier ligt onze privéboot klaar, die ons in enkele uren over de Ayeyerwady naar Bagan zal varen. Er heerst een gezapige, landerige sfeer als we het smalle weggetje naar de rivieroever oprijden. Niemand te zien. Maar de voor ons onhoorbare tamtam doet zijn werk uitstekend, want er ontstaat al snel een heus oploopje zodra we met onze bagage en spullen uit de auto stappen. Ineens een kluwen mensen om ons heen. Het is duidelijk: toeristen komen hier bijna niet en iedereen wil zijn graantje meepikken uit dit onverwachte maar broodnodige buitenkansje.
Onze tassen worden naar de boot gesjouwd, wel zeven mensen zijn ermee bezig. Dat wil zeggen: zeven dragers (zelfs twee plastic tassen hebben ieder een aparte drager) en een veelvoud hiervan zwermt er om heen, om straks te laten zien dat ze wel degelijk ‘meegeholpen’ hebben. Zelf worden we onmiddellijk ingesloten door vrouwen en kinderen. Wat een ongelofelijke armoede. Gaten en scheuren in hun kleding. Groezelige en gekweld kijkende gezichtjes.
We stappen in het gedrang met moeite in onze boot. Een kordate dame stapt mee de boot in. Zij wil een kleedje ruilen tegen kleding. We hebben uit Nederland kinderkleding meegenomen, ze heeft goed gegokt. Ze vraagt om kleertjes voor haar dochter. Van de tevoren samengestelde pakketjes hebben we nog kleding over voor een kind van 2, een kind van 4 en een kind van 9 jaar. Nu blijken er meer dames interesse te hebben: sterker nog, zij willen allemaal wel zo’n pakketje. Kinderen van 2, 4 en 9 jaar hebben ze ook, knikken ze heftig, ook het kleine oude vrouwtje van zeker 75 jaar dat niet van mijn zijde wijkt, met een blouse die meer gaten dan stof vertoont. 
Het wordt een pandemonium. Een chaos van woorden en gebaren. Afgezien van de eerste vrouw hebben de andere dames niets aan te bieden om mee te ruilen. Als Lione dan maar besluit om de kleding weg te geven, reageert de eerste dame verontwaardigd. Ze vindt het niet eerlijk, zegt ze. De andere dames hebben niets om mee te ruilen en zij moet als enige een kleedje afstaan. De kleine dingen tellen hier.
Uiteindelijk besluiten we om maar gewoon uit te delen. We kunnen er door de ontstane opwinding niet meer om heen, willen we ons vege lijf nog redden. De dames zijn dolgelukkig en glimmen van oor tot oor. De eerste dame rent opgetogen de boot af, omdat zij haar kleedje kan houden.
 
Maar hiermee is de rust bepaald nog niet teruggekeerd. Als we – voor de fooi - vragen wie onze drie tassen heeft gedragen (we rekenen de plastic tasjes met water en dergelijke niet mee), gaan zeker twaalf handen omhoog. Kom daar maar eens uit. We zijn dan ook blij, dat we even later varen – het voelt als een narrow escape - en er weer rust is.
 
De volgende uren genieten we van de stilte op de traag stromende brede rivier. We hebben weer nieuwe energie opgedaan om de volgende uitdaging aan te kunnen: Bagan, dat nu in zicht komt. En voor ‘Bagan’ komt een kleine boot met twee vreemdelingen in zicht.
 
Op de kade worden slapende koetsiers en taxichauffeurs wakker. Onder de schaduwrijke bomen luierende mannen en vrouwen staan op. Iedereen neemt snel zijn of haar positie in.
Wij ook. We zijn er weer helemaal klaar voor.

Langs een provinciale weg, ergens in Brazilië, loopt een rund. Het is een kaarsrechte weg zonder schaduw. Lage tropische begroeiing aan weerszijden, nauwelijks bomen. Geen huis of mens in de omgeving te bekennen. Het rund sjokt voort en het heeft geen idee hoe ver het nog is. Hij had er eigenlijk allang moeten zijn. Achter hem sjokt een Nederlandse vrouw. Cameratas om haar nek. Zwetend. De zon staat op het hoogste punt en brandt er genadeloos op los. Een kleine auto scheurt met een enorme vaart rakelings langs en gaat dan plotseling vol in de remmen. Vijftig meter verderop komt hij tot stilstand. Langzaam rijdt hij achteruit in de richting van het rund en de Nederlandse vrouw.
Uit de tegengestelde richting komt een lijnbus aanrijden. De vrouw doet instinctmatig wat ze achteraf in deze situatie inderdaad gewoon had moeten doen. Ze wil de bus aanhouden. Instappen. Snel! Wegwezen hier. Geen andere optie. Maar het rund begrijpt het niet. Daar is hij ook rund voor tenslotte. Hoezo, de andere kant op? Het doel ligt toch recht vooruit? De bus rijdt door en ze zijn weer alleen op de weg. De auto komt, nog steeds achterwaarts rijdend, langzaam maar zeker dichterbij….
Een klein natuurpark, met een paar mooie trails. Heerlijk wandelen in het oeroude Atlantische tropische regenwoud dat boven op een klif ligt. Vijftig meter loodrecht onder hen glinsterde de blauwgroene oceaan. Het pad ging pal langs de randen van de rotsen, met prachtige doorkijkjes en fabelachtig mooie uitzichten. De kleine maar niet schuwe penseelaapjes met hun lange, zwarte haarpluimen, de "penselen", rondom het gezicht, waren nieuwsgierig dichterbij gekomen. Het was een geslaagde eerste activiteit van deze nieuwe Braziliaanse dag. Deel twee van het plan was het prachtige stille dolfijnenstrand in een door de rotsen omgeven baai. Volgens de landkaart slechts enkele kilometers van het regenwoud af gelegen. En dan kon je beste over de provinciale weg lopen. Had het rund bedacht.
De auto stopt naast het rund en de Nederlandse vrouw, die met het hart kloppend in de keel afwachten wat er in de komende seconden gaat gebeuren. Vluchten of rennen is geen optie. Een auto is sneller dan een rund en een Nederlandse vrouw, dat begrijpt zelfs het rund. Door het geopende raampje zien ze een jonge Braziliaanse man. Hij spreekt hen aan in het Braziliaans, een stortvloed van onbegrijpelijke woorden. Het rund zegt in zijn beste Braziliaans, dat hij geen Braziliaans spreekt. Dan schakelt de man rap over in vloeiend Engels. “Wat doen jullie hier, op dit uur, zo langs deze weg?”. Hij gaat ook naar het strand en zegt: “Stap in, dit is veel te gevaarlijk”.
Ze taxeren vliegensvlug de situatie: achterin zit een Braziliaanse vrouw met een kleuter. Het sein lijkt op groen te staan, veilig, instappen maar. Als de man wegrijdt legt hij het uit. “Het is niet goed om in de brandende zon te lopen. Maar vooral: het is erg gevaarlijk. Twee toeristen die langs een verlaten weg lopen met hun tassen, geld en camera’s. Een mooier presenteerblaadje kun je in Brazilië niet hebben”.
Blij met de lift, laat het rund zijn gedachten gaan. Hoeveel reizen hebben ze nu al niet gemaakt? En hoe doordrongen zijn zij niet van alle mogelijke veiligheidsrisico’s? De do’s en dont’s. Je kunt hem er midden in de nacht voor wakker maken, en hij somt ze feilloos op. Het is altijd goed gegaan. Nou ja, een keertje bestolen. Maar tegen stelend hotelpersoneel is natuurlijk geen kruid gewassen. Het mocht geen naam hebben. Nooit iets vervelends meegemaakt en dan zou het nu alsnog bijna fout gegaan zijn. Niet een beetje dom, nee oerstom, vindt het rund. Dat hij niet met vuurwerk mocht stunten, wist hij al. Maar dit was eigenlijk onvergeeflijk. Een beetje aangeslagen voelt hij zich wel.
Als ze de honderdvijftig treden afdalen over de trap, die door het regenwoud naar het strand beneden leidt, zegt de vrouw tegen het rund: “Je wordt nog eens mijn dood, met die mooie plannetjes van jou!”. Geschrokken is ze, en terecht. Het rund zwijgt beschaamd. “Wat een geluk” denkt hij. “De good guy stopt, maar het had zeker anders kunnen aflopen”. “Muito obrigado” zeggen ze tegen hun “redder”, duizendmaal dank. Zijn “de nada”, geen dank, is welgemeend. Hij vindt het oprecht normaal om beiden te helpen. Als ze hier op het strand nog wat nodig hebben, hij zit dáár, en hij wijst.
Het strand is een paradijs. Het zachte witte zand strekt zich bijna een kilometer links en rechts van hen uit, aan beide kanten omsloten door een imposante vooruitstekende rots, weldadig begroeid met tropisch groen. De Brazilianen zijn hier vooral ontspannen. Ook zij hebben last van de criminaliteit, méér nog dan de toerist. De berovingen worden nog altijd door een kleine minderheid gepleegd, maar het bezorgt het land wel een slechte naam. Ten onrechte.
De gemiddelde Braziliaan probeert van iedere dag zoveel mogelijk een feestje te maken. Relaxed, wat nonchalant en vooral genieten van het leven. Muziek, eten, drank. Wat voetballen, sporten, dansen of gewoon luieren. Mooie gebruinde lijven. Bijna geen volk in deze wereld is zó gericht op de goede dingen van het leven, als het kan iedere dag weer. Een feestje, lekkere muziek, rustig aan. Iedere dag is het waard om geleefd te worden.
Natuurlijk lukt dat niet altijd en voor een deel van de Brazilianen, de allerarmsten, nog minder. Maar in deze opkomende economische grootmacht gaat het steeds meer Brazilianen voor de wind. Ze hebben hun talloze stranden en een warm zonnig klimaat. Iedereen probeert steeds weer te zoeken naar de bright side of life.
Langzaam voelt het rund zich weer mens worden. Een Braziliaan onder de Brazilianen. Hij bestelt een kokosnoot voor hem en zijn Nederlandse vrouw, en nestelt zich op zijn strandbedje. Aan een mogelijke “hel” ontsnapt, voelt de hemel om hem heen als een weldadig genot. Tussen de reggaeklanken hoort hij ergens een rocknummer. Coldplay. Viva la vida. Helemaal mee eens, besluit hij, en hij sluit zijn ogen in de warme zon.

“Is it an easy walk?” vraag ik. Enkele maanden daarvoor heb ik een knieoperatie ondergaan en erg stabiel loop ik nog niet. De aangeboden tour belooft een fikse wandeling door een canyon en de wandelroutes daar zijn doorgaans niet glad geplaveid. Voor de zekerheid informeer ik dus naar de moeilijkheidsgraad.

De Egyptenaar, type snelle jongen, en dus ook snel verkopen, houdt niet van twijfelaars. Hij kijkt mij zichtbaar verveeld aan. Ik wijs naar mijn rechterknie en maak met mijn hand een “zo zo gebaar”. “Eh, yes, easy walk, very easy walk” zegt hij dan ongeïnteresseerd. Van lastige vragen houden ze hier niet. Een canyon is een canyon en die krijgen we gewoon voor ons geld. Hij is een betrouwbaar businessman, wat denken wij wel niet? Wel, gaat u mee of gaat u mee?

Ik bedenk me dat er hier, zoals overal op tourist hot spots, gewoon verkocht moet worden. Het is altijd nice, easy en OK en nooit a problem. Het heeft geen zin om te informeren of het nog verantwoord is om in een overvolle boot te stappen, of om de jungletour te lopen terwijl de modderstromen omlaag kolken. Je kunt altijd mee. Je neemt het risico of je neemt het niet. Dit keer heet het risico “The Coloured Canyon, full day tour, only € 80”.

Enkele dagen voor Kerstmis. Mijn oog valt op een aanbieding Egypte. Weekje Sharm el Sheikh voor een spotprijsje. Wel snel vertrekken graag. “Schat, waarom gaan we volgende week niet eens lekker een weekje naar Egypte?”. Bij ons thuis zijn dit gevaarlijke uitspraken. We zitten dan gegarandeerd een week later midden in de vakantiefolder. Ook dit keer stellen wij onszelf niet teleur. Op Nieuwjaarsmorgen zitten we aan de Rode Zee.

Vanaf het strand het warme water van de Rode Zee in lopen is geen optie: het koraal begint vrijwel meteen en koraal heeft de eigenschap behoorlijk scherp voor je voeten te zijn. Dat wordt dus voorzichtig op je buik de zee in glijden, je hoofd onder water steken om onmiddellijk, zonder vooraankondiging, in een tropisch aquarium terecht te komen. Boven water is het wat minder kleurrijk: we zitten hier aan de rand van de woestijn en er is weinig groen te bekennen. Alles is hier verwant aan bruin en geel. Een open, beetje surrealistisch landschap waar zand en wind de hoofdrol voor zich opeisen.

We rijden enkele dagen later in een jeep naar de Coloured Canyon, verderop in de Sinaiwoestijn. Het is wat je noemt “een bumpy ride”; regelmatig worden we bijna gelanceerd. Dan stoppen we en lopen richting de canyon. Het valt niet tegen.
We lopen door een nog niet al te smalle kloof, waar de rotswanden links en rechts van ons oprijzen. Je kunt elkaar hier nog rijendik passeren. Het wandelt lekker rustig, maar de gids heeft blijkbaar meer te doen vandaag. Steeds maant hij ons, achterblijvers, – als je iets wilt zien, moet je het tenslotte goed bekijken – met de woorden: “Follow me. Hurry”. Als laatsten komen we dan bij de volgende doorgang of bocht aan.

De gids wenkt ons al weer uit de verte: “Follow me”. We zien onze groepsgenoten niet meer. Zijn we zover achterop geraakt? Bij de gids aangekomen zien we juist de laatste groepsgenoot vóór ons in een gat de grond inzakken. Het gat is nauwelijks breder dan een mensenlichaam. Het is de bedoeling dat we hierin verdwijnen, it’s the only way. We kunnen wel door de grond zakken!

We horen later dat een breed uitgevallen bejaarde Duitse dame hier klem is komen te zitten. Schijnt nog een aardige reddingsoperatie geweest te zijn. Ik tuur in het gat, maar ik zie alleen maar een zwart niets. We geven ons maar over.
We springen het gat in en voelen na een paar meter tot onze opluchting vastigheid. Dat valt mee! We klauteren verder over grote stenen en rotsblokken, ploffen weer neer, klauteren weer verder. En dan komt er “something special”.

We moeten door een spleet van ongeveer anderhalve meter breed en een meter of vijf diep naar beneden. Het is de bedoeling om je met je linkerarm en linkerbeen tegen de ene wand vast te klemmen en met de rechterkant van je lichaam tegen de andere wand.
Zigzaggend, handen stukje los, benen stukje los, afwisselend links en rechts, ga je dan met je lichaam als een soort wig naar beneden. Lione gaat als laatste. Vijf meter boven mij zie ik dat ze er dapper voor gaat zitten op de rand van de spleet.

“Dat kan ze niet met die beentjes!!” schreeuw ik. Lione wil, met haar rug tegen de ene wand vastgeklemd, haar voeten tegen de andere kant vastzetten. Maar omdat ze niet is gezegend met modellenbenen (ze meet 1.60 m), haalt ze met haar benen net niet de overkant.

De Egyptische gids zegt: “Jump, I’ll catch you”. Ik vind dit niet zo’n geslaagde oplossing. Nogmaals zeg ik: “dit lukt je nooit met je benen Lione!”. De gids verstaat mij niet, maar concludeert wel dat er iets ernstigs aan de hand is en is meer dan ooit bereid om 58 kilo op te vangen. Hij is er klaar voor, en ik ook. Lione wurmt zich naar beneden en springt uiteindelijk. Ik vang haar op en we tollen nog wat in het rond, maar dan staat ze veilig en stevig in mijn armen.

“This is the end” zegt onze gids tien minuten later. Niks einde. We moeten nog een steil stuk omhoog klauteren. Als we na een half uurtje hijgend en puffend boven komen staat daar een bedoeïenentent, waar thee wordt geschonken. Bezorgd komt een vrouw uit de groep, waarmee we zo juist hebben gewandeld, naar Lione toe. “Ik heb nog eens goed naar jou gekeken toen je zojuist omhoog klom, maar ik heb niets kunnen ontdekken aan je benen. Het is toch niets ernstigs hoop ik?”

Lione heeft daarna nog vele hikes gemaakt, over gletsjers, door woestijnen, jungles, bergen. Nee, er is niets mis met haar benen. Maar dat heb ik altijd al gevonden.

Na onze twee eerste enerverende dagen in Goa bevonden we ons voor het eerst op het strand van Goa. Het was er druk, enorm druk. Later zouden we de rustige stranden in het noorden ontdekken, waar wij nagenoeg alleen lagen. Alleen met wat koeien, en verder uitgestrekte lege zandstranden met wat palmen hier en daar. Waar we nu lagen was het zoals Scheveningen op de zeldzame zomerse dagen in Nederland. Boven op elkaar.
Vlak naast ons zat een Engelse dame, die werd aangesproken door een politieman. Smetteloos uniform, zonnebril, snor. Hij verzocht de dame vriendelijk haar bovenstukje aan te trekken, omdat dit niet was “zoals wij in India over beschaafd gedrag denken”. De vrouw, wiens huid angstvallig snel van wit naar behoorlijk bedenkelijk rose aan het transformeren was, keek hem met een ongelovige blik aan. “No”. De politieman herhaalde zijn verzoek enkele malen. Maar ze gaf geen krimp. No was no. Waarom viel deze diender haar met zulke domme vragen lastig, stond er op haar steeds ongeïnteresseerder staande gezicht te lezen.
Uiteindelijk gaf ze bits een verklaring voor haar weigering. “No, oi woont, its moi holidoi, oi poid for it”. Ze had er recht op om met ontbloot bovenlijf op dit strand te zitten, ze had er hard voor gewerkt en ze had er voor betaald! Niet om je heen kijken waar je bent, dame, je zit gewoon in je eigen achtertuin. De politieman droop af, als een schooljongen die na een standje de les wordt uitgestuurd.
Ik was verbaasd over dit tafereeltje. De man deed er verder niets aan! Dit was een land waar de vrouwen in sarong de zee in gingen en waar een blote arm al als onzedelijk wordt beschouwd. Maar voor haar zat het bij de prijs in. Het was haar geld. Botheid, lompheid en domheid met een flinke saus respectloosheid.
Ik moest aan dit voorval denken toen ik onlangs las dat de politie in Goa strenger zou toezien op topless zonnen. Nog steeds dus, dacht ik. Nu waren het vooral de Russen die zich nergens aan stoorden. Naar verluidt was het type Rus dat momenteel de stranden van Goa overspoelt van een nog net iets minder niveau dan het niveau dat veel Britten hadden, die we destijds in Goa zagen. Britten die voor een spotprijsje vanuit hun grauwe grijze huizen in mistroostige buurten naar dit tropische oord werden getransporteerd en geen idee hadden waar ze waren. Benidorm kon zomaar om de hoek liggen. En nu de rijke Russen, die met hun forse banksaldo menen dat hun wil de wet is. Er kwam een ander voorval op dezelfde plaats in mijn herinnering. De toch wat dubbele moraal van India.
Enige tijd na het incidentje met ‘miss I won’t’ en de politieman nam ik een duik in zee. Uiteraard netjes in badkleding zoals dat er op een gemiddeld strand mee door kan. Ik stond tot aan mijn schouders in het water, toen ik me omdraaide. En daar stonden ze in een rij op het strand. De rijke mannen uit Mumbai. Dure kleren, dure zonnebrillen en…..dure camera’s. Ze speurden het strand en de zee met hun ogen af. Later hoorde ik van locals, dat dit een hype was onder de sommige mannen in goeden doen uit Mumbai. Met busladingen vol kwamen ze naar dit strand om dames in strandkledij te fotograferen. Thuisgekomen schepten ze dan op internet op dat ze met deze vrouw de nacht hadden doorgebracht. Klik klik, gingen de camera’s.
Ik had geen zin om omhoog te komen, en toch wilde ik het strand weer op. In gedachten zag ik mezelf, de zee uitkomend in mijn bikini, al op internet staan. Ik zwaaide en riep naar René, die lekker op zijn handdoek op het strand lag. Ik wilde dat hij mij een handdoek bracht. René zwaaide enthousiast terug. Hij begreep het niet. Dit herhaalde zich. René zwaaide weer: ja ja, hij had me echt wel gezien!!
Ook de heren met de camera’s zwaaiden enthousiast. “Madam madam, this way please” klonk het. Hoe kwam ik hier nu, letterlijk en figuurlijk, uit? Uiteindelijk ben ik maar lang tot aan mijn kin in het water blijven zitten. De Arabische Zee begon ineens koud aan te voelen. Tenslotte gaven de heren het maar op. Ongetwijfeld op jacht naar een nieuw “slachtoffer”. Miss I won’t was er immers ook nog. Boos en gerimpeld bereikte ik mijn plekje op het strand, waar ik een warme handdoek omsloeg. India, de verwondering blijft er toch overuren maken…..

De Baai van de Laatste Hoop. Of eigenlijk: Golfo de la Ultima Esperanza. Dat klinkt mooier, vind ik. Mysterieuzer. Bij zo’n naam slaan je gedachten op hol. In ieder geval die van mij.
Laatste hoop? Waarop? Het veroorzaakt een beetje onrust, zo’n naam: de hoop is bijna op, jammer, we zijn er doorheen. Van hoop mag eigenlijk nooit een laatste hoeveelheid over blijven. Hoop hoort onbeperkt voorradig te zijn.
 
Gedachten aan stoere mannen, uitgeput door een maandenlange zeereis, het verse voedsel allang op. Gestrand met hun schip moeten ze maanden wachten, en ze weten niet of ze ooit weer verder kunnen. De wanhoop wisselt de hoop steeds vaker af. 
 
De Golfo de la Ultima Esperanza bestaat echt. Hij ligt in het uiterste zuiden van Chili.
De Chilenen hebben hun 12e provincie ‘Regio Magellanes y Antarctica Chilena’ gedoopt. Chileens Antarctica, Laatste Hoop. Dat maakt nieuwsgierig. Op de landkaart zie ik een grillig gevormde fjordenkunst met duizenden eilanden die als druppels naar beneden glijden, richting Zuidpool.
 
Deze ochtend zijn we er, in Puerto Natales. De enige bewoonde plek in een gebied, dat twee keer zo groot is als Nederland. Het stadje vleit zich lieflijk langs de ruige kust, aan de voet van de bergen. Talloze stroompjes tuimelen hier over de rotsen naar beneden in de oceaan. De Stille Oceaan.
Ordelijke huisjes in laagbouw. De brede straten lopen volgens een kaarsrecht schaakbordpatroon. Verdwalen is onmogelijk. De stad, omringd door bergen en gletsjers, is een kleine oase van menselijk leven in een leeg, ruig en mythisch gebied.
 
Er zijn van die plekken, waarvan je je afvraagt wat mensen in ’s hemelsnaam beweegt om zich er te vestigen. Dit is zo’n plek. Aan de onderrand van Zuid-Amerika, volkomen geïsoleerd. Een godvergeten plek, waar de snoeiharde ijzige westenwind altijd beukt en giert. Waar de wolken in sneltreinvaart tegen het continent opbotsen, hun slagregens genadeloos loslatend op de kust en de berghellingen er achter. Waar de kleuren grijs, zwart en wit overheersen. Een prachtplek. Maar om te leven?
 
Het zal de Puerto Natalezen een zorg zijn. Zij wonen hier, ze proberen er het beste van te maken en het klimaat is nu eenmaal zoals het is. Vandaag, het is hoogzomer, is zo’n zeldzaam mooie dag. Beetje zon en droog. Stevig windje. Dat wel. Een toptemperatuur van maar liefst 14 graden. Een dag waarop naar buiten gaan nu eens geen noodzaak is, maar een genoegen.
 
We wandelen langs de Baai van de Laatste Hoop. Mijn eerdere gedachten over deze baai blijken niet ver van de werkelijkheid af te liggen. De naamgever, Juan de Ladrillero, was in 1557 op zoek naar de westelijke ingang van de straat van Magellaan. Hij bivakkeerde hier noodgedwongen wekenlang, voordat hij verder kon. Dit was zijn laatste kans om de doorgang te vinden. En dat lukte hem uiteindelijk. Het hopen was in dit geval niet voor het laatst geweest. 
 
De vissersboten liggen er werkeloos bij. Schots en scheef in het water en al aardig aan het aftakelen. Voor de vissers is er weinig hoop meer. Hier heerst de stilte. De flamingo’s contrasteren met hun roze kleur tegen het blauwzwart van de zee. Zwarthalszwanen zwemmen hun rondjes. Aalscholvers hangen om de pier. Dit is het begin van het einde van de wereld.
 
We huren een chauffeur. Langzaam rijden we door dit wondermooie landschap. Kleurige bloemen in groene weiden, roodbruine koeien, bossen, tegen een decor van de machtig oprijzende bergen. We vragen de chauffeur een eind vooruit te rijden; we willen een stuk wandelen.
 
Als Lione een foto maakt van het landschap, komt ineens, uit het niets, een cowboy op zijn paard met een enorme vaart recht op ons afrijden. Hij schreeuwt, hij is woest. Razend. Zijn drie honden, opgezweept door deze uitval van hun baas, rennen even hard mee. Hij wil ons niet hier. Zoveel begrijpen wij er wel van. Weg, weg, schreeuwt hij. Hebben wij bij toeval iets gezien dat niet voor onze ogen bestemd is? Duistere zaken? Maar wat dan?
 
Chilenen zijn niet geïnteresseerd in dit woeste zuidelijke deel van hun land. Veel mensen komen hier niet en dat maakt dit bij uitstek een gebied om ongestoord je gang te kunnen gaan. Van regels en gezagsdragers moet men hier niet veel hebben. Santiago heeft hier weinig te vertellen. Minder legale zaken en buitenstaanders, dat gaat hier niet samen. 
 
Onze chauffeur is gelukkig in de buurt. “This is not good” zegt hij, duidelijk geschrokken. “Get into car, quick”. De woedende ruiter met drie woeste grote honden in zijn kielzog komt angstvallig dichtbij. Hij gaat volkomen door het lint en niets lijkt hem te stoppen. Waar zwaait hij toch mee? Toch niet met een pistool? El ultimo dia, hier onderaan de aardbol? Is er nog laatste hoop?
 
Ik ben op tijd in de auto, maar Lione staat nog buiten. Dan pas zie ik hoe zij ijzig rustig haar camera instelt, en afdrukt. Als er één moment vereeuwigd moet worden, kan het maar beter het laatste moment zijn. Nog nèt op tijd is zij binnen. El ultimo segundo.
 
’s Avonds lopen wij door de hoofdstraat op zoek naar een restaurantje. Het is nagenoeg uitgestorven. Gelukkig is er nog een restaurantje open. Binnen is het lekker warm. Tijdens onze maaltijd zwaait de kok nu en dan de deur open en gooit botten en vleesafval naar buiten. Een troep van ongeveer vijftien zwerfhonden stormt er op af, maar de grootste krijgt de buit steeds te pakken. De rest moet keer op keer ervaren dat er maar één winnaar kan zijn. The winner takes it all. The loser standing small.
 
Op de terugweg blaast de wind door de lege straten en doorbreekt zo de doodse stilte. Geen levend wezen op straat, alleen de troep honden. Ze aarzelen even als ze ons zien, maar ze komen ons niet achterna. Bij ons valt niets te halen. In onze hosteria nestelen we ons bij het behaaglijke vuur.
 
Mijn gedachten gaan naar morgen: Vuurland. Of eigenlijk: Tierra del Fuego. Dat klinkt toch mooier, vind ik. Mysterieuzer……
 
 

Het was bedoeld als een ongecompliceerde strandvakantie en dat werd het ook. De keuze was op Gambia gevallen. Net weer iets anders dan Spanje of Griekenland, een beetje exotisch en het was Afrika! In Gambia had zich toentertijd een bescheiden toeristenindustrie ontwikkeld, waar voornamelijk de Engelsen aangevoerd werden. Toen deze niet meer welkom waren, de Britse regering had iets lelijks over de dictator van Gambia gezegd en vervolgens een negatief reisadvies voor haar onderdanen afgegeven, landden de Nederlanders, een paar honderd per week. Niet veel, maar de toeristenindustrie zakte net niet helemaal in. 
Gambia is bijna het allerarmste land ter wereld. Je hoeft niet op de economische ranglijst van de VN te kijken, om te weten dat dit land ergens onderaan op die lijst bungelt. Mannen zitten en hangen op straat, doelloos voor zich uitstarend, totdat de toerist het waagt om het hotelterrein te verlaten. Ze worden van alle kanten besprongen. Waar ga je heen, naar de supermarkt? Wij lopen (tegen betaling) met je mee. Wij werden voortdurend geconfronteerd met het gebedel om geld al dan niet voor een zeer minimale tegenprestatie. De opgeschoten jongelui buiten. De nachtwaker, die geld wilde hebben van ons of een fototoestel, dat mocht ook, anders kon hij niet garanderen dat hij ongewenste insluipers zou opmerken. Kinderen, die briefjes met hun adres tegen de ramen van ons busje drukten, in de hoop dat wij het adres zouden onthouden en geld zouden sturen. Wanhopig bijna. Het is te begrijpen.
Onze kinderen vertelden na een dag of twee dat ze zo leuk konden spelen met Zeekoe. Omdat ik wist dat zeekoeien hier niet voorkwamen concludeerde ik dat het een Gambiaan moest zijn. Seku, want zo heette hij, werkte als tuinman in ons hotel. Hij stond op zijn hark geleund te staren, af en toe raapte hij een afgevallen bloemetje op, om vervolgens zijn “aan deze dag komt nooit een einde”blik weer op te zetten. Hij was eens een paar dagen ziek. Toen hij weer terug was, vertelde hij achteloos dat hij malaria had gehad. Vol ongeloof hoorden we dit aan, malaria, dan was je toch wel even uitgeschakeld. Het bleek waar. Maar ja, hier niet werken betekende ook geen loon. No work, no pay. Dus trillend op zijn benen nam hij maar weer positie in bij zijn hark.
Seku nodigde ons uit. Zijn grootmoeder was overleden, dat werd een mooie ceremonie en het was een mooie gelegenheid voor ons om dit mee te beleven. Van andere gasten die hier al jaren kwamen hoorden wij dat hij al zeker zes overleden grootmoeders had. Het was gewoon een manier om met hem mee te gaan, op bezoek bij hem thuis, in de hoop dat wij wat geld zouden achterlaten. Wij gingen er maar niet op in. Op een dag werden we weer uitgenodigd. Wij besloten de uitnodiging dit keer aan te nemen. Op de dag van het bezoek namen wij een taxi naar Serrekunda, die ons vlakbij het opgegeven adres afzette.
Het was regentijd, bij bakken viel het dagelijks naar beneden. Wij waadden door een laag van zeker 30 cm water en modder naar het huisje, waar wij verwacht werden. De hele straat liep uit omdat blank bezoek hier wel iets heel bijzonders was. Seku blonk van trots. Zijn aanzien in de buurt was enorm gestegen. In een hutje met aan weerszijden van de muren twee “banken” van opeengestapelde kussens, zaten wij daar. Het was donker en het rook niet echt fris. Hij had speciaal voor ons koffie gekocht. We wisselden wat zinnen uit, maar de gespreksstof was snel op. Voor onze kinderen die zich verveelden (buiten spelen kon niet vanwege het water) duurden de twee uren erg lang. Maar ja, een bezoek is een bezoek en dan kun je niet na vijf minuten al weer vertrekken.
Seku vond ons bezoek een groot succes en hij putte hier duidelijk moed uit. Op een namiddag kwamen we bij onze lodge en zagen buiten een zak met vers geplukt fruit liggen. Er zat een briefje bij. Ik keek in één oogopslag naar de ondertekening en zag de naam van Seku. Die zag ik vanuit mijn ooghoek al komen aanlopen. “Ja, lees maar”, schenen zijn ogen te zeggen. “Dit is een briljant plan”.
Seku schreef dat wij een taxi voor hem moesten kopen. Hij kon dan een taxibedrijf beginnen, want het tuinieren leverde niet genoeg op. Hij zou dan toeristen rondrijden en ieder jaar, als wij naar Gambia kwamen (!!!) zou hij volledige verantwoording geven van zijn verdiensten. Dan wisten wij in ieder geval hoeveel hij verdiend had. Uiteraard zouden wij dan de reparaties betalen, die hij had voorgeschoten. De klapper bewaarde Seku voor het laatst: wij zouden dan ieder jaar twee weken lang tegen sterk gereduceerd tarief door hem overal naar toe gereden worden. Briljant, zeker, maar dan wel voor Seku. Wij hebben erg veel moeite gedaan om Seku ervan te overtuigen dat dit geen goed plan was, althans niet voor ons. Maar hij bleef tot de laatste dag hopen.
Thuisgekomen ontvingen wij na veertien dagen zijn eerste brief. Hij had er zijn best op gedaan. Wij waren zijn weldoeners en hij hoopte snel op het geld voor de taxi. Hij eindigde met de fraaie volzin: “Every night I wake up crying because you’re not here anymore”. Er volgden nog wat brieven, zijn hart huilde, hij dacht aan ons en wanneer hadden wij het geld bij elkaar? De brieven bleven onbeantwoord en zijn na verloop van tijd gestopt. Als ik aan Gambia denk, denk ik nog wel eens aan Seku. Zou hij zijn eigen taxibedrijf inmiddels hebben? Wie weet. Echte weldoeners bestaan. Alleen betwijfel ik of die naar Gambia gaan……

 
Hij zal niet ouder zijn dan een jaar of tien, hooguit twaalf. Een tenger klein jochie, slechts gekleed in een oranje lendendoek. Hij zit op een waterbuffel, wat op zich al een hele kunst is. De buffel staat half op de oever van de rivier en half in het water. In zijn linkerhand heeft hij twee touwen. Het ene touw zit aan de kop van de buffel vast. Het andere touw leidt naar een tweede buffel die nog op de oever staat. In zijn andere hand heeft hij een lange dunne bamboestok.
 
Eigenlijk heeft hij al zijn behendigheid nodig om in evenwicht te blijven, maar daarbij zijn beide buffels ook nog eens niet bepaald meewerkzaam. Ze verzetten zich tegen het vooruitzicht het water in te moeten. Hij moet dus naast zijn balanstechnieken al zijn kracht gebruiken om beide onwillige dieren de rivier in te krijgen.
 
Maar hij heeft het vaker gedaan blijkbaar. Even later zwemt de buffel met de jongen op zijn rug in de rivier, de tweede buffel er achter aan. Goed beschouwd doe ik het hem niet na. Het is dagelijkse routine schat ik in. Een hele kudde koeien wordt naast de jongen het water ingedreven door een paar dorpelingen. De jongen op de buffel houdt in de gaten of iedereen wel doorzwemt en tikt de koeien die niet hard genoeg gaan, of uit koers dreigen te raken, met zijn bamboestok aan.
 
Angstig gaan ze langzaam voorwaarts in het water. Ze zwemmen niet echt, maar ze slagen er wel in hun hoofd, nauwelijks dat wel, boven water te houden. Ze komen op een meter afstand van ons bootje langs en kijken ons angstig aan. “Toe dan, zie je niet dat ik verzuip. Sta daar niet zo stom te knippen met die camera. Trek me eens op die boot. Doe iets”.
 
Een hele kudde zwemmende koeien, ik had het nog nooit eerder gezien. Het is één van de fraaie landelijke tafereeltjes die we zien als we ten zuiden van het Inlemeer de Beluo Chaungrivier afzakken, nog verder zuidwaarts. De zwemmende koeien belanden aan de overkant. Een dagelijkse klus is weer geklaard. “Breng jij de koeien even naar de overkant, jongen?” “Goed, ma, en dan vanmiddag laat zeker ook weer terug?”. Ik zie het weinig twaalfjarigen doen in Nederland.
 
In dit gebied is alles nog oorspronkelijk gebleven. Het zal er honderd jaar geleden niet anders aan toe zijn gegaan. Hier is werkelijk niets veranderd. Slaperige dorpjes aan het water, waar we traag aan voorbij glijden. Veel bootjes en bedrijvigheid op het water, bamboebossen, rijstvelden. Op de achtergrond van dit idyllische rivierlandschap de altijd wazige blauwachtige bergen. En overal die opgestoken vriendelijk zwaaiende handen. Zonder uitzondering. Hier groet men elkaar en iedereen die langs komt.
Het water is hier van levensbelang. Alles speelt zich af op en nabij het water. Dat maakt een boottochtje tot een waar kijkspektakel.
 
Sinds kort is het gebied niet langer afgesloten voor buitenlandse bezoekers. Niet dat dit prachtige landschap nu zoveel te verbergen had waar wij, westerlingen, absoluut geen kennis van zouden mogen nemen. Het is in wezen niet anders dan het omringende land, maar vanwege de afsluiting is het nog wel een stuk authentieker gebleven.
 
De werkelijke reden om dit gebied tot een verboden gebied te verklaren was de onrust in dit gebied, het verzet tegen het regime. De Pa O die hier wonen hebben niet zoveel met de centrale regering. Nooit gehad. Het regime had hier lange tijd dan ook niet zo veel te vertellen. De Pa O voelen zich autonoom. Geen bemoeienis van wie dan ook. De streek wordt vandaag de dag nog steeds gecontroleerd door de Pa O. Maar wat de Pa O betreft zijn we hier vandaag welkom. Het risico op schermutselingen wordt blijkbaar niet als groot ingeschat.
 
We moeten een permit halen, voordat we het gebied in mogen. Dat weer wel. Dat is overigens geen probleem. Geen zware toets op je antecedenten, een paar dollar volstaat. We krijgen vervolgens twee Pa O mensen mee. Officieel om het vak van gidsen te leren, want men hoopt hier in de toekomst op meer buitenlandse bezoekers. Onofficieel om ons wel een beetje in het gareel te houden natuurlijk. Geen gekke dingen. Je weet maar nooit met die vreemdelingen. Een soort verplichte escorte dus, maar wij voelen het niet zo. Het zijn twee vriendelijke maar zwijgzame mensen, die onze voetstappen vandaag niet al te hinderlijk zullen volgen.

Een enorme verzameling prachtige tempels en tempelruïnes waar je het niet vermoedt. In the middle of nowhere. Sagar is zo’n plaats. Er wordt weinig aan onderhoud gedaan en het ene exemplaar verkeert in een betere staat dan het andere. Veel tempels zijn half overwoekerd door de jungle. Geen loketten, geen toegangshekken, geen bordjes, geen verkopers. Eigenlijk is er niemand die er om maalt. Het staat er zoals het er staat. We lopen hier alleen, met onze Pa O gidsen natuurlijk. De sfeer is hier haast magisch te noemen. Alles ademt hier nog oorspronkelijkheid uit. We duiken figuurlijk de verleden tijd in. Het had evengoed het jaar 1800 kunnen zijn. Hier beweegt niets, alleen de tand des tijds, die onmerkbaar maar vastbesloten doorknaagt.
 
We lunchen aan de rivier. Een kleine uitspanning op een verhoging in het landschap, zodat we een mooi uitzicht hebben op Sagar aan de overkant. De eigenaar is erg opgetogen over onze komst. Gasten, dat maakt hij blijkbaar niet iedere dag mee! Zoals bijna overal in Myanmar blinkt het menu niet uit in uitzonderlijke variëteit. Het keuzemenu bestaat uit rijst met kip, rijst zonder kip, rijst met een beetje kip en kip met een extra portie rijst. Hij doet erg zijn best, we eten redelijk lekker en rekenen uiteindelijk omgerekend vijf dollar af.
 
We leggen na nog een uurtje varen aan bij een Pa O dorpje. Het is klein en eenvoudig. We wandelen eerst wat rond en we worden dan ontvangen door een familie. We gaan buiten zitten, op het rommelige erf. Allerlei onduidelijke attributen en activiteiten, waarmee de familie zich een schamel bestaan probeert te verwerven. Ik zie een ketel, die borrelende geluiden maakt. Aan de ketel zitten tuinslangen vast, die naar een aantal bakken leidt. Er wordt vanuit de ketel palmwijn naar deze bakken gepompt. Hier en daar lekken de slangen. Een aantal eenden heeft dit feilloos door. Ze doen zich tegoed aan de lekkende palmwijn.
 
Voor zover je kunt zeggen dat een eend een stabiele loopgang heeft, is van stabiliteit nu niets meer te merken. In plat Hollands: ze zijn straalbezopen. Ze vallen om, ze liggen, ze rollen, hun ogen staan vreemd. Zoals je een dronken mens meteen herkent, zo herken je ook een dronken eend! Ondertussen proberen ze voortdurend nog meer van de palmwijn tot zich te nemen. Dit is een gevalletje verslavingszorg.
 
Ons wordt een fles palmwijn voorgezet. Lione vindt het niet lekker, die begint er niet aan. Ik probeer moedig een paar slokken te nemen. Tot mijn opluchting is mijn kommetje na een paar minuten bijna leeg. Ik mag weer tevreden zijn, vind ik. Van alles wat je wordt voorgezet moet je op zijn minst de suggestie wekken dat je het tot je neemt en waardeert. Weigeren zou terecht een belediging zijn.
 
Meestal is het eten bij vreemden wel te doen. Ofwel het smaakt opvallend goed ofwel: niet te veel nadenken over wat het zou kunnen zijn en wegspoelen met veel drinken. Ik heb er nooit iets aan over gehouden. Maar deze palmwijn…. Als ik er naar kijk, springen de tranen al in mijn ogen, zo sterk is dit spul. Ik ben dus blij, dat ik mijn kopje achter de kiezen heb. Maar het wordt onmiddellijk weer volgeschonken. Uit beleefdheid neem ik moedig nog een voorzichtige slok. De Pa O mannen putten hier moed uit: de fles wordt kordaat mijn kant opgeschoven. Ik mag zoveel nemen als ik wil.
 
Veel gespreksstof is er niet. Zij spreken en verstaan geen Engels, laat staan Nederlands. En ons Birmees is ook nog niet echt op peil. Erg is dat niet. De sfeer is goed en de eenden kijken mij, naarmate de tijd verstrijkt, steeds begrijpender aan.
 
We hebben uit Nederland wat kinderkleertjes meegenomen en we geven dit aan de vrouw des huizes. Zonder enige vorm van emotie, Aziaten zo eigen, bekijkt ze de kleertjes en neemt ze het in ontvangst. Haar dochtertje krijgt een knuffelbeer. Verlegen sabbelt ze op het prijskaartje dat er nog aan hangt. Even verderop zien we een klein blond meisje. Onze gids vertelt dat men hier gelooft dat ze een reïncarnatie is. Blond is hier erg bijzonder en men dicht haar dan ook bijzondere gaven toe.
 
We varen tegen de avond weer terug. Er steekt een fris briesje op, maar het deert ons niet. We geven ons over aan de weidsheid van wat ons omgeeft, een schilderachtig decor van water, groene velden, wazige bergen en gouden pagodes, de oorverdovende stilte en de avondwind. We zien overal migrerende vogels. We genieten van de rust in dit verstilde tropische landschap.
 
Enjoy the silence.
 
Het militaire regime daar ver weg in de hoofdstad heeft het slecht begrepen. Hier is niets om verborgen te houden, bedenk ik me, integendeel. Of misschien toch maar wel?


Tegen de middag bereiken we Andersson Gate, één van de toegangen tot Etosha National Park. Een klein stenen gebouwtje met een rieten overkapping aan weerszijden over de weg, twee slagbomen, meer is het niet. Terecht geen schreeuwerige bombastische entree voor dit wereldberoemde park. De weg en het landschap na de ingang zijn niet anders dan die er vóór: de door mensenhand getrokken grens is geen natuurlijke grens. De eerste kilometers in het park zien we dan ook niet veel anders dan de laatste kilometers vóór het park. Wildlife al evenmin. Met zoveel leefruimte is er geen enkele noodzaak om de grenzen van het bestaan op te zoeken.

We arriveren in kamp Okaukuejo, een grootschalig kamp met drukte en veel toeristen. Gelukkig is het buiten het kamp meteen weer puur natuur. In de namiddag maken we onze eerste gamedrive in een open jeep. We zijn niet alleen. Twee Italiaanse families, echtparen met kinderen, hebben hetzelfde plan opgevat. Wij delen onze jeep met hen.

Italianen. Ik ga hier niet beweren dat ik iets tegen 58 miljoen van onze medewereldbewoners heb, maar ja, die 58 miljoen meegeleverde monden…. Deze lijken in Italië louter voor één doel gemaakt te zijn en dat is voortdurend, zonder ophouden, zoveel mogelijk bewegen en geluid voort te brengen. Ik heb ze kirrend, joelend en schreeuwend, struikelend over hun woordenerupties, Duin 45 zien oprennen; de woestijn moet moeite gehad hebben met dit decibellenbombardement. In de Sesriemkloof dachten we als eerste en enige in de kloof af te dalen, totdat zich twee bussen met Italianen meldden. In een oogwenk werden we door de tetterende mierencolonne verpletterd.

Silenzio heeft in Italiaanse woordenboeken een onbeduidende plek in het aanhangsel. Drie medereizigers van onze internationale groep komen ook uit Italië. Zelfs als de groep na honderden kilometers hobbelen collectief in slaap gesukkeld is, gaan drie monden onvermoeibaar door. Ik geef het je te doen: verzin maar eens stof om een hele dag vol te kletsen, iedere dag. Eigenlijk zou dit alleen al bewondering moeten afdwingen.

Ook onze twee families lijken zich op te maken voor een gezellig middagje dierentuin. In stilte speuren wij gespannen naar mogelijk wild, maar de families halen koekjes, snoep en spelcomputers voor de kinderen tevoorschijn, waarbij op luide toon de conversatie gevoerd blijft worden. Er is aanvankelijk niet veel te zien. Wat zebra’s, antilopen, een oryx, twee giraffen. In stilte hopen wij op meer spectaculaire ontmoetingen.

Dan loopt duikt ineens een enorme mannetjesolifant op, vóór onze jeep. Hij sjokt uiterst langzaam voort door het droge hete land. Hij is in ‘must’. De natuur heeft het slim bedacht. Mannetjesolifanten raken bij toerbeurt in ‘must’. Deze toestand moet hen extra aantrekkelijk maken voor de dames. Doordat ieder mannetje zijn eigen ‘mustperiode’ heeft, heeft hij geen concurrentie en kan hij bij meerdere vrouwtjes proberen het beste uit zijn toekomst te halen.

Maar daar hangt wel een pittig prijskaartje aan. Er komt, omdat bepaalde klieren uitzetten, zo’n enorme druk op de kop van het mannetje te staan dat dit voortdurende hevige pijnen veroorzaakt. Daarbij zorgt de hormonentsunami er voor dat hij wild, stoer, sterk en uiterst agressief wordt. Om maar zeker te stellen dat andere mannetjes zich geen moment bedenken en zich uit de voeten maken als hij op het podium verschijnt. Ook voor de mens is hij dan extreem gevaarlijk. Je wilt hem eigenlijk liever niet tegenkomen…..

Maar daar loopt hij, twintig meter voor ons. Hij blijft af en toe stilstaan en kijkt om zich heen. Wij houden de adem in, zelfs de Italianen zijn stilgevallen. Meneer heeft het zwaar. Met een trieste blik zet hij weer een paar stappen. Het is een enorm exemplaar. Een andere auto, nietig vergeleken bij deze jongen, wacht gepast aan de andere kant. Passeren is absoluut geen optie. Hij kan uren zo blijven staan. Maar zijn enige doel blijkt uiteindelijk de waterpoel te zijn. Zijn lichaam staat dan misschien op springen, er is geen vrouwtje in de buurt, ellende te over dus, maar water heeft nu topprioriteit. First things first. Hij doet zich te goed en besprenkelt zich aan alle kanten met modder. Een beetje verlichting voor hem, een indrukwekkende ervaring voor ons.

Na het diner wandelen we naar de waterplaats. De voorstelling is zojuist begonnen. Een olifantenfamilie meldt zich op de bühne. Niet lang daarna volgt een klein neushoorngezinnetje. Ademloos en muisstil kijken we toe.

De olifanten tolereren twee drinkende giraffen, maar de aanwezigheid van de neushoorns wordt niet op prijs gesteld. Op niet mis te verstane wijze wordt de neushoorns te kennen gegeven dat ze hier maar beter kunnen ophoepelen. Mokkend sjouwen de neushoorns onze kant op. Ze willen blijkbaar niet meteen afdruipen, maar zoeken wel de veilige buitengebieden op. En zo’n buitengebied bevindt zich vlak voor onze neus. Het is indrukwekkend: op nog geen drie meter afstand kijken we tegen de kop van het mannetje aan. Hij kijkt ons recht in de ogen, met slechts een muurtje van één meter hoog tussen hem en ons. Onze adem stokt, zou hij???

Maar nee, deze neushoorn lijkt ons niet te zien. Hij blijft een tijdje zo staan, we kijken hem strak aan, en dan sjokt hij weer verder. Intussen belt mijn dochter, die even is vergeten dat ik in Namibië zit, vanuit Nederland. Ik doe snel een paar stappen terug en antwoord fluisterend en met hoorbare spanning in mijn stem, dat ik in Afrika zit en ‘right now’ oog in oog met een neushoorn sta, dus dat dit een beetje ongelegen komt en dat ik later terugbel. Ze is – wat ‘sterke’ verhalen betreft - veel gewend van haar vader, maar ze moet werkelijk gedacht hebben dat ik in een acute waanpsychose ben beland.

Het is al laat als we teruglopen naar onze lodge. Jakhalzen struinen de grond af, op zoek naar left-overs van het diner van de kampeerders. We struikelen in het donker bijna over deze scharrelaars. Op het terras van onze lodge, met een biertje en wijntje, horen we de hyena’s huilen. Het lijkt of ze op ons terras staan, zo dichtbij klinkt het. This is Africa. Etosha heeft zijn belofte op onze eerste dag al meer dan waargemaakt.

Ik sta buiten op het dek van onze boot. Het is al donker en de avond is zwoel. Naast mij op nog geen halve meter afstand zit een pelikaan op de reling. Blijkbaar vindt hij het leuk om mij gezelschap te houden. Ik zie in het donker een haai voorbij zwemmen. De pelikaan naast me ziet het ook. Even veert hij op, een visje is nooit te versmaden. Pelikanen duiken er de hele dag naar. Dan bedenkt hij zich: deze vis is hem toch wat te gortig. Hij zit weer roerloos naast me. Welkom op de Galapagos.

Het is de avond van de eerste dag van onze vijfdaagse cruise door dit gebied. Het is moeilijk uit te leggen wat er zo uniek is aan de Galapagoseilanden. Het is een geïsoleerde eilandengroep, 1100 km voor de westkust van Zuid-Amerika, in de Stille Oceaan. In feite zijn het de toppen van een groot onderzees vulkanengebied, de vulkanische activiteit is er nog steeds. De eilanden liggen op de evenaar maar omdat zowel de koude als warme golfstroom hier samenkomen heeft dat een matigende invloed op het klimaat. Het is een bijzondere wereld, een wereld op zich. Met een dierenwereld, die jou als mens negeert, en die je nergens anders ter wereld aantreft. Dieren die zich op een unieke wijze hebben aangepast aan het leven op deze barre eilanden. Behalve de buitengewone dierenwereld en de prachtige desolate ruige landschappen is het vooral de sfeer die je raakt. Een sfeer van een soort vergeten bijzondere wereld, een paradijs waar alles nog zo is als het altijd is geweest en waar je als mens slechts “voorbijganger” bent.
 
Die middag hadden we de bijzondere, bijna onwerkelijke, ervaring om wandelend door het zacht glooiende groene landschap van Santa Cruz gigantische reuzenschildpadden te zien. Links, rechts, overal zitten ze. We zien er tientallen. Als je te dichtbij komt, beginnen ze vervaarlijk te blazen. Die nacht varen we naar het meest zuidelijk gelegen eiland, Floreana.
 
Als ik om zes uur ‘s morgens het dek op loop, komt dit eiland juist in zicht. De baai ligt er prachtig bij, met een wit zandstrand. Na een kort wandelingetje nestelen we ons op het strand en gaan snorkelen. Op dit moment is er nog niet zo heel veel te zien, wat grote zeeleguanen en een zeeschildpad. ’s Middags varen we naar Devils Crown, een rotsformatie die uit zee oprijst. We varen langzaam om de rotsen heen en zien hier veel vogels van dichtbij. Zeeleeuwen zwemmen mee. Vervolgens weer aan land voor een wandeling over het strand. Veel pas geboren zeeleeuwen. We wandelen door een prachtig glooiend landschap en we bereiken een volgend strand. Inmiddels gaat de zon bijna onder en dat levert sfeervolle beelden op. Bijna alleen op een strand, om je heen krioelt het van de zeeleeuwen, en zo moet het eeuwen geleden ook al geweest zijn….
 
Iedere minuut van een dag op de eilanden gebeurt er wel iets, of er valt iets te zien. En varend van eiland naar eiland zitten we lekker relaxed te deinen op de boot, de warme tropische wind om je heen. Dit alleen al is meer dan een goede reden om hier te zijn! Het gehalte aan dierlijk leven per km2 is hier hoog. Wandelend over de stranden of door de “binnenlanden” van de eilanden moet je goed kijken waar je je voeten neerzet: zeeleeuwen en reuzenleguanen kruisen erg vaak je pad. En altijd hebben ze voorrang! Daarbij moet je ook steeds omhoog kijken, want er zijn zoveel vogels te zien.
 
Als we de volgende ochtend voet aan wal zetten op het strand van Espanola worden we overdonderd door het gebrul van de zeeleeuwen overal om ons heen. Veel kleintjes. We lopen er tussendoor, staan bij ze stil. Ze reageren niet. Het is een vreemde gewaarwording hier zo op deze manier op dit strand te zijn, tussen deze aandoenlijke dieren, die zich volkomen naturel blijven gedragen. Mooi om hun gedrag en communicatie met elkaar te kunnen observeren. Heel soms loopt een mannetje een beetje dreigend een paar meter achter ons aan. Hij is hier de baas, of we dat even willen onthouden!
Spotvogels pikken naar je tas. Er is geen vers water hier en ze doen er alles voor om bij jouw fles water te komen! Bang zijn ze absoluut niet, eerder brutaal.
 
Tijdens de lunch gaat opeens het scheepsalarm af. Als we naar buiten rennen slaat de “schrik” al snel om in opwinding: tientallen, misschien wel honderd, dolfijnen overal rondom onze boot. We weten niet waar we moeten kijken, zoveel zijn het er. We hadden er elders wel eens een paar gezien, maar zoveel tegelijk!! Ze zwemmen vrolijk mee, om even snel als ze gekomen zijn weer te verdwijnen.

Als ik uit de zodiak aan land stap bij Punta Suarez zit er al een enorme zeeleguaan op de plek waar ik mijn voet wil zetten. Zeeleeuwen maken een oorverdovend lawaai. Een smal pad leidt omhoog, waar we van steen naar steen springend langs de steile kliffen lopen. Iedere vijf meter sta je weer stil om je te verbazen over wat je dan weer tegenkomt. Dit is natuur in de meest pure zin van het woord. De vele dieren zijn tot op een meter te benaderen, ze blijven op hun plek en ze wekken geen moment de indruk zich ook maar iets van ons mensen aan te trekken. Aan het einde van deze trail, langs de rand van de kliffen, een prachtig uitzicht beneden ons op de rotsige kust: overal nestelende vogels, zeeleeuwen, krabben, en een blowhole: het water spuit hier zo’n 15 meter de lucht in.
 

’s Morgens op de vijfde dag is het abrupt afgelopen. De boot legt aan in de haven van Baltra. Na het ontbijt hectisch gedoe: snel de spullen pakken en met een bus naar het vliegveld. Daar is het een drukte van belang. Welkom terug in de gewone wereld. Het is als wakker worden uit een droom, maar wel zo’n droom die je glimlachend aan de nieuwe dag doet beginnen.

“You go with him”. We hebben zojuist betaald aan het loket voor een (verplichte) gids. De kaartjesman knikt in de richting van een bijna als militair geklede, ongeïnteresseerd rondhangende man even verderop. “We go with you” zeggen we tegen de gids die ons is toegewezen. Hetzelfde woordgebruik moet de communicatie gemakkelijker maken, vinden we. Maar onze gids is vooralsnog niet erg communicatief. Zwijgend pakt hij zijn geweer en begint te lopen. In Arusha hebben we een chauffeur voor vandaag geregeld, die ons door het Arusha Nationale Park zal rijden. Tegen de middag komen we aan bij een plek, waar begeleide wandelingen mogelijk zijn.

Zwijgend lopen we door de savanne. Met een Afrikaanse soldaat op stap, het is niet iets dat in onze top tien staat van dingen die we ooit in ons leven nog eens zouden willen meemaken. Maar dit is een gids en het geweer gaat niet voor niets mee. Het moet ons een betrekkelijk veilig gevoel geven.
 
“Did you ever have to use this gun?”, vragen we om de stilte te doorbreken. “Sometimes”. En daar blijft het bij. Het geeft toch wel een spannend gevoel. Want wat zouden we tegenkomen en zou hij werkelijk schieten als het niet anders kon? En vooral….wannéér kon het niet anders? Als we al in de klauwen of de hoorns van een dier vastzaten?

Maar onze gedachten zijn alweer bij het landschap en onze ogen spieden in het rond. Giraffes, daar heb je niet zoveel van te vrezen, en van klein wild of bavianen ook niet. Maar de buffels…. Het moet het gevaarlijkste en meest dodelijke dier zijn. Buffels staan niet echt bekend om hun blijmoedige humeur, integendeel. Stiekem hopen we dat we ze tegenkomen. “Do we get to see the buffaloes” vraag ik. “Sometimes”. Misschien is het wel het enige woord Engels dat hij kent, denken we. Sometimes. Het wekt niet al te veel verwachtingen, en het stelt ook niet al te veel teleur. Een mooi compromis om de klant tevreden te houden.

En dan krijgen we ze in het vizier. Een grote groep giraffen, ver weg nog. We versnellen onze pas. En even later is daar het grootse gevoel. Op nog geen paar meter van ons vandaan staat een flink exemplaar. We kijken letterlijk tegen hem op. We staan stil en houden onze ogen gericht op deze reus. Die geeft er nauwelijks blijk dat onze aanwezigheid hem iets doet. Hij ziet ons wel, maar blijft rustig staan. Gelukkig. Want snel wegrennende giraffen willen we niet. Aan de andere kant staan er nog meer. En ineens lopen we midden tussen de groep. We zijn omringd. Het is een geweldige gewaarwording. Dit is niet het Emmer Dierenpark, maar dit is zoals het bedoeld is. Giraffen in vrijheid, in hun eigen natuurlijke leefgebied, en wij komen ze op een wandeling gewoon tegen. Ik voel me rijk. Hiervoor ga je naar Afrika.

We blijven een tijd staan kijken en lopen uiterst langzaam. De giraffen blijven rustig doorgaan met wat ze altijd doen: rondkijken en blaadjes van de bomen eten. We staan vlak bij een jong, op nog geen drie meter afstand. Het kijkt ons nieuwsgierig aan. De giraffen zijn imposant, zeker op zo’n korte afstand. Gelukkig zijn het vriendelijke dieren, want je zou nergens zijn als ze boos zouden worden. Eigenlijk willen we hier niet weg, maar onze gids geeft signalen af dat hij meer heeft te doen vandaag  en we wandelen verder. Nog een paar maal kijken we achterom om nog heel even dit bijzondere gevoel vast te houden. Dan worden het stipjes aan de horizon. De giraffen verdwijnen en ons magische moment verdwijnt met ze mee.

De wandeling levert verder niet zo veel wild meer op. Wat antilopen. Geen buffels. Wel sporen van buffels.
Na deze wandeling toeren we de rest van de dag door het park. Nog meer giraffen, maar het is anders vanuit de auto. Bavianen en andere apen. Een mooi meertje met de nodige flamingo’s.

Tegen de avond rijden we terug naar ons resort, even buiten Arusha. Onze chauffeur stopt. “Two hundred dollar” zegt hij. Ook al een man van weinig woorden. Dit is niet de bedoeling, dit gaat niet door, denk ik. En ik zeg het ook. Honderd dollar was afgesproken, en dat is nog aan de ruime kant. De man blijft er echter bij dat hij twee honderd dollar wil hebben. Lione stapt uit. Hier heeft zij geen zin in. De dag was leuk en het moet leuk eindigen. “Hij zoekt het maar uit, ik ga naar onze lodge” zegt ze. En resoluut als zo vaak voegt ze de daad bij het woord. Daar zit ik dan, de man in huis die dit klusje mag regelen.

Heel even denk ik dat dit toch typisch Afrikaans is. Aan klantenbinding doen ze niet. Een boze klant of erger nog: morgen géén klanten, omdat ik slechte reclame ga maken voor hem, het zal hem worst zijn. Vandaag binnenhalen wat kan. Morgen bestaat pas weer als morgen vandaag is. Nadenken over consequenties op wat langere dan de heel korte termijn komt hier niet zoveel voor.

Ik besef dat verder praten geen zin heeft. Ik ben meestal niet streng maar wel rechtvaardig. Vandaag moest ik maar eens streng en niet rechtvaardig zijn. Ik zet mijzelf in een positie waarin ik snel de auto uit kan. “One hundred dollars and not one dollar more”, zeg ik in waarschijnlijk niet correct Engels. Maar niet correct zijn is op dit moment hoe dan ook de beste houding. Ik spring verrassend soepel en snel de auto uit. Naar de fooi kan hij fluiten. Boos been ik weg. Het zal me een zorg zijn of hij me achterna komt. Maar hij is al weg gereden. Als ik na een paar minuten bij ons huisje aankom verdwijnt mijn boosheid snel. Lione is haar buit aan foto’s van vandaag aan het bekijken. Het open haardvuur is al aangestoken en de pils ligt koud. Het was weer een mooie dag vandaag…….

 
We lopen de diep uitgesleten en gebarsten marmeren trap op en komen in een donker halletje met een kleine - in duisternis gehulde - nis, die als balie dienst blijkt te doen. Het doet muf, afgeleefd en somber aan. We vermoeden dat we de enige gasten zijn in dit enorme koloniale gebouw en dat blijkt te kloppen. Overal in Myanmar zijn de hotels zwaar onderbezet, bijna geen toeristen. We weten het inmiddels, maar hier is het wel extreem. Helemaal alleen in dit gigantische pand. We zullen de komende dagen geen mens zien hier, althans geen levende.
 
Het November Hotel ligt aan de rand van het bergstadje, in een, zoals dat heet, ‘rustige landelijke omgeving’. November: synoniem voor verval, neergang, aftakeling en somberheid. Een perfecte keuze voor de naam van dit hotel, zo blijkt al snel. Achter de ‘balie’ zit een oude vermoeide man, die onaangenaam verrast lijkt te zijn door het feit dat er gasten binnenkomen. Zwijgend geeft hij ons de sleutel en we sjouwen met onze bagage de krakende houten trap op.
 
Op de eerste verdieping is een lange gang met een hoog plafond en tientallen deuren aan weerszijden. Het is donker en er brandt één zwak peertje. Leeg, stil. Ik waan me in het hotel waar de horrorfilm The Shining zich afspeelt: een echtpaar met kind dat een hele winter lang op een volkomen verlaten, ingesneeuwd hotel moet passen. De man wordt uiteindelijk waanzinnig. Als ik de deur van onze kamer open meen ik heel even de schim van Jack Nicholson, met opgeheven bijl in zijn hand, aan het einde van de gang te zien. Here comes Johnny!!
 
De kamer is groot en hoog, en oud, maar in orde. Het begint buiten zachtjes te regenen, de eerste voorbode van een weersomslag. De restanten van een cycloon trekken vanuit Bangladesh over Myanmar en dat betekent nattigheid, veel nattigheid.
 
We maken een rondrit door het dorp. We zien enkele tempels en kloosters, een Boeddhabeeld en het oude stationnetje. Het begint nu echt hard te regenen. We eten bij de Nepalees. Dat smaakt uitstekend en na het afrekenen rijden we terug naar November. De straten zijn pikdonker, nat en verlaten. Een deprimerend sfeertje en dat verandert niet als we in ons hotel aankomen.
 
De volgende ochtend lopen we de “ontbijtzaal” binnen. Een enorme zaal met wel vijftig tafels. Het is aardedonker. Door één raam helemaal achterin komt een zwak licht naar binnen en aan dat tafeltje mogen we plaatsnemen. Zwijgend beginnen we aan onze spiegeleieren, die we nog nèt kunnen herkennen op ons bord. Lauwe koffie wordt met een zucht op ons tafeltje neergezet. Het is wat sinister allemaal. Gedachten aan dat hotel in een horrorfilm. Echtpaar vertelt de volgende dag in het nabijgelegen dorp in het hotel geslapen te hebben, waarop de dorpeling antwoordt: “Dat kan niet, dat hotel is lang geleden afgebrand en de oude eigenaar is daar bij omgekomen. Dat was trouwens gisterenavond op de kop af tien jaar geleden”…
 
Vandaag is er markt in het stadje. Het regent onophoudelijk, maar desondanks is de markt een kleurrijke bedoening, waar van alles te zien en te beleven is. We lopen uren door de modder en grote plassen over de markt. Daarna slenteren we nog wat door het stadje, drinken ergens koffie en lopen doorweekt van de regen weer terug. Geen mens op straat. In de verte blaffen honden. Het enige teken van leven in wat op een volkomen verlaten spookstad lijkt.
 
Rillend van de regen komen we weer bij November aan. Tot onze ‘opluchting’ staat het er nog en was ons verblijf van de afgelopen nacht hier dus geen gezamenlijke zinsbegoocheling. De locatie is geknipt voor een vervolg op de film “I know what you did last summer”. De filmcrew zou morgen meteen aan de slag kunnen. We gaan naar binnen. Van de donkere regendag naar de naargeestige schemering.
 
De ramen van onze kamer staan half open. De onophoudelijk neergutsende regen versterkt ons gevoel, dat we alleen op de wereld zijn overgebleven. November rain, klinkt door mijn hoofd. Guns ’n roses hebben er nog wat klankkleur in weten te brengen, maar de werkelijkheid hier en nu doet me realiseren wat November rain ècht is: kleurloos, kil, traag en vooral onophoudelijk.
 
In het pikkedonker sluip ik voorzichtig, om niet te vallen, de oude trap af om een kan heet water te bestellen. Geen licht, geen kleur, geen stemmen. Niets wijst hier op menselijk leven. Ook beneden is het compleet donker en verlaten. Een zwak schijnsel achter een deur die op een kier staat. Voorzichtig open ik de deur wat verder en roep het duister in, of er iemand is en of ik heet water kan krijgen. Stilte.
 
Geen zucht, geen beweging, geen leven, geen geluid. Zelfs de oude vermoeide muren zijn opgehouden met kreunen. Oorverdovende stilte, het bestaat echt. Na vijf minuten staat de oude man (naar ik aanneem) plotseling in het duister naast mij, en neemt zwijgend mijn kan in ontvangst. Als ik even later de krakende trap weer opklim, voel ik mij een insluiper in een schijnbaar verlaten pand. Is there anyone out here? Ik schuifel op de tast door de aardedonkere gang, totdat ik een zwak streepje licht onder de deurdrempel door zie sijpelen: onze kamer.
 
Die nacht geen deurklinken zien bewegen, geen koude luchtstromen langs voelen komen, en ook geen oude hotelbeheerders door de kamer zien zweven. Daarvoor was mijn droomloze slaap te diep en te vast.
De volgende ochtend is het droog. Alles lijkt weer wat meer kleur en licht te hebben gekregen. Zelfs de oude man bij de balie is goed gehumeurd. Hij staat moeizaam op en loopt mee naar de voordeur. Het vertrek van de twee pottenkijkers levert duidelijk een grote bijdrage aan zijn opvallend snel opklarende humeur.
 
Langzaam rijdt onze auto het pad af, de zojuist doorgebroken decemberzon tegemoet. Ik kijk nog één keer achterom. Het hotel staat er nog, maar ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat we het een volgende keer in dit stadje nóóit meer terugvinden…


 
In onze jeep rijden we Erfoud uit. Erg Chebbi is ons reisdoel en de verwachtingen zijn hoog gespannen. Erg Chebbi, twee jaar geleden hadden we er nog nooit van gehoord. Maar inmiddels weten we van veel mensen, dat je deze prachtige rode zandduinen aan de rand van de Sahara toch echt gezien moet hebben, wil je als reiziger een beetje meetellen. We kijken er naar uit. We zijn er dichterbij dan ooit.
Na zo’n 20 kilometer bereiken we Merzouga, een kleine nederzetting. Niet meer dan wat auberges voor de overnachting, wat tenten, en in het blauw geklede mannen bij hun dromedarissen. Ze hangen wat rond met hun blik op oneindig. Een andere blik kun je hier ook niet hebben. En er is zand, overal zand. Het waait wat op. Een stoffige lome sfeer. Het is stil. In de verte de immense duinen.

Om zeven uur ’s avonds huren we een dromedaris voor een tocht door de woestijn. Het is niet gemakkelijk lopen door het zand en ons aanvankelijke plan om zelf naar boven te lopen laten we snel varen. Het scheelt al een stuk als we het eerste gedeelte kunnen doen op de rug van deze dieren, die er weliswaar geen zin in hebben maar beter door het zand kunnen lopen dan wij. In een kleine groep schommelen we de duinen op, omhoog gaat het. Het is aanvankelijk even balanceren om het juiste evenwicht te vinden, zeker als er geklommen wordt. Maar even later laten we ons meevoeren op de cadans van de logge dieren onder ons.

Na een uur krijgen de dieren rust. We moeten, willen we de top bereiken, vanaf hier vrij steil omhoog klimmen en dat is zelfs voor dromedarissen wat te veel gevraagd. We zullen dus op onze eigen benen moeten vertrouwen. Het valt niet mee: één stap omhoog, twee terug, zo lijkt het wel. Maar we bereiken de top: een smalle richel waar we in de avondzon gaan zitten en 360 graden om ons heen een overweldigend uitzicht hebben. We wachten op de zonsondergang, die de duinen in een mooie gloed moeten zetten. Af en toe wisselen we een woord, maar over het algemeen genieten we in stilte. Het kan nu niet lang meer duren…..

“You’ve got two minutes”, zegt onze begeleider ineens. Meestal zijn wij niet zo goed in cryptische uitspraken, maar dit keer begrijpen we hem onmiddellijk. “Two minutes to go down, fast!”. We hebben het zelf ook al gezien: in de verte komen donkere wolken in allerlei mooie maar onheilspellende kleuren snel naderbij. Het is zand, heel veel zand in de vorm van dreigende wolkenluchten die alle kanten op draaien. Een zandstorm! We aarzelen geen moment, want we hebben (hoewel we een vermoeden hebben) geen idee wie sneller is: de zandstorm of wij. Springend en buitelend gaan we in een bijna nieuw record tientallen meters de zandheuvel af, naar een diepe kom tussen de heuvels. Beschutting, dat is wat we moeten zoeken. De wind giert en raast al om ons heen. Onze stemgeluiden verwaaien onmiddellijk. “Down down”, lijkt onze begeleider te schreeuwen. We hurken op de grond, hoofd tussen de schouder en krijgen een grote deken over ons heen. Dan wordt alles donker en zwart.

Zandkorrels overal, miljoenen. Geen meter zicht. Vette regendruppels, onweer. Dan is het ineens stil en we kruipen onder onze deken vandaan. Het is voorbij. Zo vredig en zonnig als we een kwartier geleden op de heuveltop zaten, zo zwart is de lucht nu. De wind is wat geluwd. Het heeft geen zin meer om naar boven te gaan. De dromedarissen kuieren met hun vrachtje in colonne langzaam terug.
Ik besluit te gaan lopen. Samen met een blauwe man loop ik een andere route. Donker is het nu. Stil. Ik zie nagenoeg niets, en stap op de tast door. Er zijn hier weinig obstakels lijkt me, dus gewoon voet voor voet in het duistere niets zetten. Zo gaat het door; ik raak oriëntatie en gevoel voor tijd kwijt. Ik geef me over, zoals we ons overgaven aan het zand onder de deken. Het is doorgaan en ik geniet van de duisternis, de stilte, het idee dat ik hier in het volkomen niets, in een woestijn in Noord-Afrika loop. Dan wordt het iets lichter, een paar sterren zijn boven mij te zien. En dan zie ik ook de contouren van de stoet dromedarissen en even later de lichtjes van Merzouga. Het was even heel klein zijn in een grote woestijn. Overgave. En genieten.

Het avondeten staat al op ons te wachten in een grote tent. Er is eten, drank, muziek, geklets, mensen. En ik ben weer down down, to earth ditmaal. En heel tevreden.
 

In het noorden van Australië, in de Northern Territories, bij de stad Darwin, ligt Kakadu. Kakadu is een uniek stuk natuur, iets meer dan de helft van Nederland.
Kakadu is eigenlijk onvergelijkbaar met wat dan ook. De ene helft van het jaar is droog en in december begint de wet season, het natte seizoen. En dat is niet zo maar nat. Overal in Darwin zie je de waarschuwingen voor het natte seizoen (wat te doen om goed voorbereid te zijn op de aanstaande zondvloed). “Get set for the wet!”.
Van december tot maart woeden bijna onophoudelijk zware onweersstormen, wervelwinden en komt de regen overvloedig naar beneden. Dat heeft tot gevolg dat het land, tot ver landinwaarts, uiteindelijk overstroomt. Ineens komt het dierenleven weer tot volle ontwikkeling. Krokodillen zwemmen honderden kilometers het land in, overal zie je weer vissen en reptielen verschijnen, wegen overstromen, de dierlijke rijkdom is dan overweldigend.
Kakadu bestaat voor een deel uit wetlands, natte waterrijke laaggelegen gebieden, met veel vogels en ander dierenleven (krokodillen!) en voor een ander deel uit rots- en steenvlakten, met soms diep door rivieren uitgesleten kloven. Er zijn veel Aboriginal rotstekeningen te zien, sommige heel oud. Een waardevol gebied in veel opzichten.
Overal in het park zie je waarschuwingsborden: voor wegen die plotseling kunnen overstromen en vooral voor de zeer gevaarlijke zoutwaterkrokodillen, die vijf meter of meer lang zijn. Deze waarschuwingen staan er niet voor niets. Desondanks zijn er, zo horen we hier meer dan eens, toeristen die vlak bij de waterkant gaan staan (op zich al niet aan te raden) en steentjes in het water gooien. De krokodil is van nature niet agressief, maar wil slechts één ding: met rust gelaten worden. Hij zal dan ook bij de minste verstoring in het water niet aarzelen om je onmiddellijk aan te vallen en te doden. Ons wordt verzocht niet in de boot te gaan staan, omdat de boot dan kan schommelen en dit voor een krokodil al aanleiding kan zijn om aan te vallen. Tijdens onze tochtje over deze krokodillenrivier zien we echter vooral veel vogels en slechts een enkele krokodil.
De lokale bevolking noemt deze tijd (begin november) het silly season. Eigenlijk wordt iedereen een beetje gek van de hitte en wordt er voortdurend in ieder wolkje aan de hemel de verlossende bui gezien. Men smacht naar regen en een beetje afkoeling. Dit jaar is die echter laat. Het is nog altijd droog en heet. Voordeel is dat alles nog goed begaanbaar is. Nadeel: je bent nauwelijks nog te bewegen om ook maar één stap te zetten.
Het is stomend, dampend, het voelt als een hete natte deken die voortdurend om je heen ligt. Extremer dan dit kan het nauwelijks, vinden we. Als ik dit opschrijf is het half zeven ’s avonds. We zitten voor ons huisje. Het zweet stroomt in dikke stralen van ons lijf; om ons heen krijsen de papegaaien, de vliegen proberen onophoudelijk je neus en oren binnen te dringen. Het is 43 graden en de vochtigheidsgraad bijna 100 %.
Het moet ongelooflijk moeilijk zijn geweest voor de Aboriginals om hier te leven, zonder enige bescherming, in dit extreme weer: het is of verstikkend heet of het land overstroomt vanwege de heftige zondvloed. Nu is het, althans binnen, nog wel uit te houden, dankzij de airco. Zodra we ons huisje uitstappen, weten we niet wat ons overkomt.
Ondanks de hitte werken we een vol en druk programma af. We komen tenslotte om het nodige te zien. We zien veel wildlife, vooral vogels, heel veel soorten, buffels en wallabies. Op de Mary River, zoals gezegd, krokodillen. “Op dit stuk moeten er al zeker honderd vijftig zitten “, zegt onze gids. We geloven het graag. “En ze zullen je onmiddellijk aanvallen, als je het water in zou gaan “ voegt hij er aan toe. Ook dat geloven we meteen. We zien Aboriginaltekeningen in de rotswanden. Soms moet je er voor klimmen, wat niet altijd meevalt in deze hitte. Maar tegelijkertijd wordt je ook beloond met een fraai uitzicht over dit prachtige oeroude landschap, onmiskenbaar het land van de Aboriginals.
In het Aboriginal Cultural Centre zien we een interessante tentoonstelling over leven en cultuur van de Aboriginals. We zwemmen bij twee watervallen, ze zijn prachtig gelegen. De eerste is wat moeilijk toegankelijk (en wordt eigenlijk nooit door toeristen bezocht, het is een goed bewaard geheim), de tweede (de Edith Falls) zijn wat toegankelijker. Na het zwemmen wordt ons verteld dat hier wel degelijk krokodillen zitten, de zoetwatervariant, die niet gevaarlijk zou zijn(!).
Katherine is een slaperig stadje in dit onmetelijke niets, bijna de warmste plaats van Australië, en misschien wel van de hele wereld. Een stadje in de verzengend hete wildernis, waar alleen op vrijdagavond wat levendigheid schijnt te zijn, als de plaatselijke bevolking zich na een week hard werken uitleeft in de kroegen. Neem het ze maar eens kwalijk in zo’n barre omgeving.
Nabij Katherine ligt de Katherinekloof. Een ander hoogtepunt. Of liever gezegd: dieptepunt. Er zijn dertien kloven die door de Katherinerivier in het woeste landschap zijn uitgesleten. De rivier stroomt hier rustig langs de tot zestig meter hoog oprijzende rotswanden. Alle dertien kloven doen lukt niet in één dag, we bevaren er twee. De stilte is adembenemend, de nauwe kloof is indrukwekkend. Hier heeft de natuur het voor het zeggen en hier is de mens slechts een nietige voorbijganger. Het is hier, zoals het eeuwen geleden was, en zoals het over eeuwen nog zal zijn.
Als je hier alleen zou zijn en je zou hier verdwalen of vast komen te zitten, zou je het hier niet lang overleven.  De mens in al zijn nietigheid is niet opgewassen tegen de extremiteiten van deze omgeving. Althans niet zonder hulpmiddelen. Nietig zijn we, en zo voelen wij ons ook in deze wildernis. Veel te snel naar onze zin moeten we deze outback weer verlaten om door te vliegen naar het tropische Cairns. Terug naar de bewoonde wereld.
 

Op een regenachtige grijze middag in augustus dwalen mijn gedachten af naar weg. Ver weg, op weg, onderweg. Naar mooie bestemmingen. Paradijselijke tropische eilandjes. Ilha de Tinaré is er zo een. Maar ook in het paradijs kan het aardig spoken. Tropen en vocht, ze horen bij elkaar en kunnen niet zonder elkaar.

Ilha de Tinharé heeft alles in zich om zich te kwalificeren als tropisch paradijs. Een ansichtkaart: wuivende palmen, kilometers lange, brede bijna verlaten stranden, rust, relaxen. Life in slow motion. Je kunt van mening verschillen over waar een tropisch paradijs aan moet voldoen om zo door het leven te kunnen gaan, en of een paradijs wel kan bestaan. Tinharé zal niemand meer doen denken dat je een droomeiland alleen maar op de sets van Hollywood zult vinden. De aanblik die je hebt als je met het bootje vanaf de kustplaats Valenca dit eiland nadert, is fascinerend en overweldigend. Tinhare heeft alles wat vooral de backpacker tevreden kan stellen. Moro de Sao Paulo, het grootste dorp van het eiland, is niet meer dan een lange straat bedekt met zand, met aan weerszijden winkeltjes, hostels, restaurants. Aan het einde van de straat beginnen de eindeloos lange stranden. Verkeer mag niet, alles wordt vervoerd met karren, voortgetrokken door ezeltjes.

De laatste dag van ons verblijf begint zwaar bewolkt. Over een uurtje zouden we eigenlijk moeten vertrekken. Het is zes uur rijden vanaf Valenca, op het vaste land, naar Salvador de Bahia. Daar staat ons vliegtuig naar Amsterdam klaar. We horen bij toeval dat er een oude piloot is die ons voor een schappelijk prijsje naar Salvador kan vliegen. Dat scheelt bijna zes uren reizen, en dus zes paradijselijke uren méér! De deal is snel gemaakt. Vijftig dollar voor een vlucht van slechts twintig minuten.

We besluiten naar het strand te gaan, maar al snel begint het te regenen. Een buitje, moet kunnen. Tropische buien zijn hevig, maar kort, toch? Maar we hebben hier, zo blijkt, te maken met een Braziliaans regenfront. En die zijn berucht. Braziliaanse regenfronten hebben een paar vervelende eigenschappen. Ze komen doorgaans nauwelijks van hun plaats, ze zijn  omvangrijk en de hemelsluizen gaan maximaal open. Tja, dan maar wachten totdat ons toestelletje zal vertrekken. Nog wat bij onze lodge in de hangmat liggen. Onder het afdak kijken naar een watergordijn, dat gesloten is en niet meer open lijkt te gaan. En dan moeten we echt naar het vliegveld. Een trapveldje, even buiten het dorp.

Sterke mannen bieden zich aan om onze bagage te dragen. Met onze tassen op hun hoofd lopen ze voorop; wij er achteraan. De schoenen en sokken moeten uit. We waden door het water, dat tot ver boven onze enkels reikt. De dorpsstraat is veranderd in een modderstroom die zich in kleine stroompjes vertakt, zich woest een uitweg zoekend naar het laagste punt. De straat staat inmiddels blank en het is lastig lopen hier. Onder het water bevinden zich overal stenen en stukjes rots. De locals lopen, ondanks hun stevige last op de schouders, flink door en wij rennen, wij ploeteren er achter aan. De Iguazu Falls dalen op ons neer, zo lijkt het wel. En dan komen we bij het trapveldje. Stukken gras, onderbroken door kale stukken en kuilen, die zich snel vullen met regenwater. Moet hier een vliegtuig landen? Even later komt het kleine toestelletje aanscheren en tot onze verbazing weet het te landen.

Het toestel is zo klein, dat het in een groot uitgevallen Hollandse huiskamer moet passen. Met zijn vijven proberen we er in te kruipen. We zijn geen Houdini, maar op de een of andere manier lukt het. We zitten boven op elkaar in een kromme bochtige houding. Als de oude man het toestel start denk ik aan onze afhankelijkheid van deze man. Hij moet niets krijgen onderweg. Je hoort het wel eens: piloot wordt onwel, maar dappere passagier zet het toestel veilig aan de grond. Voor zover ik mijn hoofd kan draaien, bekijk ik het instrumentenpaneel en volg nauwgezet welke knoppen de man indrukt en aan welke handels hij trekt. Je weet maar nooit…… Held moet je één keer in je leven toch kunnen zijn.

We vliegen op achthonderd meter hoogte en zien het groene (nu: grijze) Tinharé onder ons verdwijnen. In de verte een extra donkere wolkenpartij. Bliksemflitsen, slagregens. Daar vliegt hij gewoon omheen, zeg ik tegen Lione, die kijkt alsof zij haar laatste uur gaat meemaken. En zo’n gekke gedachte is dat niet. De piloot vliegt er niet omheen, maar gaat gewoon recht door. Alles wordt zwart. Het toestel schommelt, zwaait, zwiert, trilt, rilt, schudt, draait, ronkt en bromt. “Ik kan het, ik kan het” hoor ik ons dappere vliegtuigje met een angstig piepstemmetje zeggen.

Ik vraag me tegen beter weten in af, of je bij een vrije val van achthonderd meter nog wel kans hebt. Wat is erger: van zeven kilometer hoogte naar beneden, van acht honderd meter of vanaf twintig meter? Het is wel overzichtelijk, die achthonderd meter. Je ziet waar je terecht gaat komen, dat scheelt. Gedachten die de opkomende angst moeten onderdrukken. We zien de kust, voor zover die te zien valt, ons onder voorbij glijden. Daar komt de metropool Salvador in zicht. De twintig minuten moeten al eigenlijk voorbij zijn. Ik kijk op mijn horloge, elf minuten pas. Schattingen maken blijft moeilijk…..

En dan staan we toch aan de grond op het kleine bijvliegveldje van Salvador. Een grote reus gaat vanaf hier ons terugvliegen naar Amsterdam. Bij het uitstappen klop ik dit dappere vliegtuigje op zijn romp. “Goed gedaan, jochie!” Vijftig dollar voor zes uur extra. Dat is nog geen tientje voor ieder (avont)uur. Ik heb toch wel eens meer betaald en veel minder gekregen. Opgelucht gaan we op weg naar de vertrekhal. We hebben het overleefd. Geen laatste reis, de volgende kan gelukkig al weer gepland worden. Maar nu eerst een paar capirinha’s zien te scoren…..
 
 

Ze is mooi, exotisch, puur. Een primitieve schoonheid. Ze zal je toelaten en haar natural beauty met jou delen. Maar ze kan ook volkomen onverwacht explosief worden en zich meedogenloos van haar duistere gevaarlijke kant laten zien. De jongste dochter van de familie Galapagos is een buitenbeentje. Ze houdt zich ver van haar oudere populaire zussen Floreana en Espanola. Ze beweegt zich in de marge, excentrisch, aan de buitenkant.
Haar naam is Isabela.
We varen met de speedboot van het hoofdeiland Santa Cruz naar Isabela. Een afstand van negentig kilometer, die in bijna drie uur wordt overbrugd. Niet alles aan reizen is prettig. De ervaren reiziger zal dat beamen. Deze overtocht is daar zo’n voorbeeld van. Je moet hem nu eenmaal maken om jouw doel te bereiken, maar het is een regelrechte beproeving.
Met de lijnbus zijn we even daarvoor in Puerto Ayora aangekomen. Een rustig sfeervol dorp. We struikelen over de eerste leguanen, een zeehond luiert relaxed op de havenpier, pelikanen vliegen laag over. De ‘ferry’ ligt al klaar en we verheugen ons op een ontspannend boottripje. Niets is minder waar. Behalve dat de boot overladen is, stuitert de boot tijdens de overtocht tegen de onverwacht hoge golven en doet daarbij onvermoeibare pogingen om de passagiers te lanceren. Het is ondenkbaar dat de menselijke organen onder deze condities netjes op hun plaats blijven zitten.
Maar bij de nadering van Isabela verandert de setting. De zee wordt rustiger, grijs wordt blauw, zwart wordt groen. We zien groene mangrovebossen en even verderop een spierwit zandstrand met palmen. Isabela betovert je meteen. De Sierra Negra, een uiterst actieve vulkaan, verheft zich machtig en imposant boven het dorre land. Naast haar nog vijf andere vulkanen. Isabela, pal op de evenaar, is één van de meest vulkanisch actieve gebieden van de wereld.
Het grootste eiland van de Galapagos is volkomen anders dan Santa Cruz. Het kenmerkt alle Galapagoseilanden: hoewel ze relatief dicht bij elkaar liggen, zijn ze totaal verschillend van elkaar. Ieder eiland betekent een nieuwe verrassing. Isabela ziet er onverwacht mooi uit, paradijselijk. Niets doet vermoeden dat we landen op een volcano hotspot. De boottocht is alweer vergeten en de inwendige organen kruipen langzaam weer terug naar hun oorspronkelijke plek.
Puerto Villamil is het enige dorp op Isabela. Een gemoedelijke plaats van bijna 2.000 inwoners. De straten zijn voor een groot deel met fijn zand bedekt. Vriendelijke huisjes, vriendelijke mensen. De sfeer is relaxed, een beetje Caribisch. Het is bijna avond en we maken een wandeling door het dorp en over het nabijgelegen strand. We zien flamingo’s en grote zeeleguanen. De locals zitten vóór hun huisjes. De jongeren voetballen op het strand met een fanatisme, alsof het om de voorronden van de Zuid-Amerikacup gaat. Zij hebben geen oog voor de schitterende kleuren van de zonsondergang boven de Stille Oceaan. Wij des te meer.
De volgende ochtend doen we Laguna Tintorella aan. Een prachtige naam voor een al even prachtige plek. Het is schitterend zonnig en warm weer. We wandelen over de lavagrond. Behoedzaam, want soms steken scherpe punten lava omhoog. We vallen van de ene verbazing in de andere. Zo veel dieren op zo’n klein stukje. Aan de overkant komt de machtige Sierra Negra uit de wolken. In 1998 nog barstte deze vulkaan spectaculair uit. Het was een enorme explosie met een immense vuurzee, maar de lava stroomde de andere kant op en spaarde dus het dorp.
Zeeleguanen, Sally Lightfootkrabben met hun felle kleuren, pinguïns, zeeleeuwen, ze lijken zich allemaal niets van ons aan te trekken. We moeten hier zeker voorzichtig lopen, want de dieren zitten overal en ze gaan geen centimeter voor je opzij. Prachtige manta’s en haaien in zee. Schitterend gekleurde grote vissen, een zeeschildpad. Een wonderlijke wereld. We wanen ons in professioneel gemaakte natuurfilm.
’s Middags rijden we eerst door de wetlands, een prachtige groene mangrovekust. Als we de weg naar het binnenland inslaan verandert het landschap in een droge vlakte met reuzencactussen. Sommige zijn bijna vijf meter hoog en staan eenzaam in het landschap. Regelmatig steekt een reuzenschildpad de weg over. Op dit eiland leven er veel. En verder….absolute stilte. En altijd die immense vulkaan op de achtergrond. Een sereen landschap, honderdduizenden jaren onveranderd. Prachtige vergezichten, een strakblauwe hemel.
De Wall of tears, de Muro de las Lagrimas, is een bizarre plek op het verder ongerepte eiland. Op Isabela was van 1945 tot 1959 een strafkolonie gevestigd. De gevangenen leefden hier in volkomen isolatie in dit barre landschap. Iedere dag moesten zij dwangarbeid verrichten: een muur bouwen. Zinloos en zwaar werk en duizenden gevangenen overleefden dit niet. De muur is een stille getuige van deze waanzin en van het gelegitimeerde geweld tegen gevangenen.
Als ik boven op de muur sta bedenk ik me wat een onbeschrijfelijk zwaar leven dit geweest moet zijn. Een plek met een onwezenlijke beklemmende sfeer in deze prachtige verder onbedorven natuur. Tranen van wanhoop, allang opgedroogd, in een zwart landschap. Bewoners beweren af en toe het geschreeuw van de gevangenen nog te horen.....
Waar de mens verschijnt, verschijnen wonden, littekens op zijn best. Menselijke bewoning heeft hier nogal wat schade veroorzaakt. En dan vooral de huisdieren die de mens meenam. Op een zeker moment zwierven hier ruim 150.000 ontsnapte en verwilderde geiten, die danig hebben huisgehouden op het eiland. Tussen 1997 en 2006 werden ze allemaal geruimd. Isabela herstelt zich opmerkelijk snel. Ook van het strafkamp rest niets anders dan die idiote muur, die hier doelloos en plompverloren in het landschap staat.
Moeder Natuur en haar dochter Isabela kunnen de mens tot nu toe gelukkig nog wel hebben. De mens doet er voor Isabela niet zo toe. Zij zal zijn zoals ze altijd is geweest. Ongenaakbaar. Onbreekbaar. Een ongepolijst juweeltje.
Misschien is het wel om dat ontoegankelijke, het excentrieke, het ongepolijste en het onvoorspelbare, dat zij de minste aandacht van de Galapagosbezoekers krijgt. Isabela. Wie haar niet kent, zal haar niet missen. Maar dan mis je wel wat.

 
We sluiten aan in de korte rij voor de receptiedesk. Ons verblijf in the Gambia zit er op. Uitchecken, de rekening, en dan naar het vliegveld. Er staan twee hotelgasten vóór ons. Dat valt mee, we zijn snel aan de beurt. Denken we.

The Gambia, het kleinste land van het grote continent Afrika. Bijna volledig opgeslokt door grote buur Senegal. Op de landkaart vormt Gambia een vreemde hap in de contouren van Senegal. Een smalle strook die 450 km langs de Gambiarivier Afrika binnen kronkelt. Een vlak land dat voornamelijk verdient aan pinda’s en toerisme. Eén van de armste landen van Afrika. Officieel is bijna iedereen hier werkloos, maar veel mensen proberen in het informele circuit wat bij te beunen.

In het dichtbevolkte uiterste westen heeft zich langs de stranden van de Atlantische Oceaan een bescheiden toeristenindustrie ontwikkeld. Aan de overal rondhangende mannen valt niet te ontkomen. Zet één stap buiten je hotel en de menigte wachtende mannen werpt zich zonder mededogen op je. Deze hangmannen leggen een vasthoudendheid aan de dag, waar een pitbull nog jaloers op zou worden. Je voordoen als de ervaren toerist, die ze heus wel doorheeft, lukt je hier niet. Feilloos pikken ze je er uit. Onwennigheid ruiken ze hier meteen. Acteurs die het tegendeel willen bewijzen vallen genadeloos door de mand.

Ze lopen ongevraagd met je mee naar de supermarkt of restaurant, om na afloop een fooi op te eisen. Ze zijn immers al die tijd met je meegelopen. En time is money. Ze hebben van het eerste te veel en van het laatste helemaal niets. Een ruilhandel tussen die twee (jij onze tijd en wij jouw geld, zonder noemenswaardige tegenprestatie) vindt men een ‘offer that you can’t refuse’.

En verder is het altijd en overal: “No problem in the Gambia”. Wie deze ijzersterke oneliner heeft bedacht weet niemand, maar hij of zij verdient alle hulde. De ultieme oplossing voor ieder probleem: we besluiten dat het probleem gewoon niet bestaat.

De armoede is schrijnend. Elektriciteit hebben de meesten niet. ’s Avonds is het aardedonker op straat. Hobbelige wegen vol kuilen en gaten. Het is voor veel mensen iedere dag weer de opgave om de dag door te zien komen. Een leven van wachten, hangen en een paar dollar hopen te scoren. Voor vandaag althans. Het begrip ‘morgen’, daar heeft men hier wel van gehoord, maar het leeft niet zo heel erg.

Ik hoor het verhaal over Het Stoplicht. Een aantal jaren geleden zou het eerste stoplicht geplaatst worden op een kruispunt even buiten Serrekunda. Er was een poging gedaan om er een rotonde bij aan te leggen. Wekenlang, voorafgaande aan deze historische dag, verschenen overal de aankondigingen, met daarop een korte basiscursus: “Hoe te handelen bij een stoplicht”.

Op de dag van ingebruikname blijkt dat de rotonde weliswaar genomen wordt, maar zelden op de juiste manier. Het stoplicht zorgt voor zoveel verwarring (wat was rood ook al weer?), dat er voor het eerst in de geschiedenis van het land serieuze files ontstaan. Sindsdien is het stoplicht meestal buiten dienst.

Het binnenland is onmiskenbaar authentieker en Afrikaanser dan de toeristische kuststrook. We volgen de Gambiarivier die traag, onverstoorbaar en majestueus door het mangrovelandschap naar het oosten stroomt. Stille Afrikaanse dorpjes, waar nog weinig veranderd lijkt te zijn, en een opvallend vriendelijke bevolking. Als wij met de boot aanleggen in Janjanbureh staat bijna het hele dorp op de oever te wachten en naar ons te zwaaien. Zelden zo’n enthousiast en kleurrijk onthaal gekregen. We krijgen een spontaan Beatrix-gevoel. Alleen de vlaggetjes ontbreken. En dat in Janjanbureh, waar door de eeuwen heen miljoenen slaven hebben gewacht op hun overdracht aan gewetenloze blanke handelaren, opeengepropt in kleine slavenhuizen. Je zou als blanke weinig vriendelijkheid verwachten, maar niets is minder waar. Het zijn uitermate relaxte dagen.

En na dit alles maken we ons op voor een temperatuurval van 40 graden in enkele uren tijd. Terug naar het winterse Nederland.

 
De man helemaal vooraan aan de balie windt zich op over zijn telefoonrekening. Hij heeft absoluut niet getelefoneerd! Jawel sir, naar Japan, vannacht, wel vijf gesprekken. De man ontkent nogmaals verontwaardigd. Zorgelijk denk ik wat ons straks te wachten staat. Wordt het bij ons vijf telefoongesprekken naar Mongolië? Transsylvanië, Fiji? Zouden ze dat hier wel kennen eigenlijk?

Het probleem met de vermeende nachtelijke telefoongesprekken wordt, ook na een half uur soebatten, niet opgelost, en boos betaalt de man maar zijn rekening. Dan is meneer vóór mij aan de beurt. Zijn rekening lijkt te kloppen. Het hotel heeft een nieuwe computer, net in bedrijf. Keurig wordt alles opgeteld, BTW er overheen, klaar. 60 euro, plus 15 euro tax. Dan zegt de man: “doe mij nog maar een fles water en zet het meteen op de rekening”. De computer begint weer te ratelen: 60 euro, 15 euro tax, 1 euro voor het water en over het water dan weer de tax van…eh…ratel ratel…15 euro. Dat wordt dan 91 euro meneer.

Hoe meneer vóór ons het ook uitlegt, aan de dienstdoende baliemedewerker, zijn chef, de chef boekhouding, de manager boekhouding, de general manager: ze begrijpen niet waarom de klant zo boos is. Een computer heb je niet voor niets, de computer heeft altijd gelijk.

“15 euro tax over 1 euro water!!! Man, denk na!!” briest de gast. De computer wordt, niet uit overtuiging maar om de gast tegemoet te komen, opgetild en aan alle kanten bekeken. Nee, er valt niets geks te ontdekken. De computer zegt het, hij is gloednieuw, dit klopt gewoon! Het gaat de man niet om het geld, maar om de absurditeit van het geloof in de computerwaarheid. Gelukkig is er vanuit onze kamer niet met Madagaskar, de Filipijnen of Colombia gebeld. En als onze rekening dit had aangegeven: computers don’t lie. Zo’n kostbare nieuwe investering stelt nooit teleur.

In the Gambia probeert men het de bezoeker naar de zin te maken met comfortabele hotels en razendknappe apparatuur. Nee, problemen hebben ze er gelukkig niet bij. No problem in the Gambia. De bedenker van deze nationale slogan verdient een standbeeld. Bij voorkeur bij Het Stoplicht.

Het is druk, chaotisch en ongelooflijk heet in de vertrekhal van het kleine vliegveldje van Goa, India. De tassen zijn al door de security-check. Aan de andere kant staan rechts een paar tafels. We willen doorlopen, maar we worden hard tot de orde geroepen. Melden aan de tafel a.u.b.

“Lighter, lighter” schreeuwt een man met hoge stem. Er wordt geduwd en gedrongen. Lighter? In een flits denk ik nog dat we een spoedcursus afvallen moeten volgen, omdat we te zwaar worden bevonden om aan boord te gaan. Maar omdat we beide een normaal postuur en gewicht hebben verwerp ik die gedachte onmiddellijk.

“Lighter” schreeuwt de man nogmaals, nu duidelijk nog geïrriteerder. Juist omdat we altijd aanstekers kwijt zijn, hebben we er extra veel overal verstopt. Ik voel in mijn zakken naar een aansteker. “Quick, quick, lighter!! Yes, lighter…”. Deze man kijkt vermoeid en is danig uit zijn humeur omdat zoveel passagiers hier de procedure nog niet kennen: aanstekers in de hand, zonder enig nadenken op tafel deponeren en snel doorlopen. Zo moeilijk kan dat toch niet zijn? Maar we moeten ook in de bagage zoeken. Hij zal alles hebben tot de laatste aansteker, daar laat hij geen misverstand over bestaan. Ook al zou je ze niet hebben, op tafel leggen is de dwingende boodschap, waaraan niet te ontsnappen valt.

Ik stel me zo voor dat deze man zijn werk op de afdeling Lighters uiterst serieus neemt. Een soort levensmissie. De onderste lighter zal boven komen. Ongetwijfeld zal hem een promotie naar de afdeling Scissors and knives in het vooruitzicht zijn gesteld, als hij zijn targets haalt. En die liggen hoog. ”Lighter, lighter”. Er begint zich schuim te vormen rond zijn mondhoeken. Zweetdruppels kletteren over zijn voorhoofd naar beneden.

Inmiddels briesend door zoveel domheid van die toeristen, kiepert hij alles met grof geweld uit onze tassen. Met verbeten bewegingen graait hij de lighters uit alle spullen naar zich toe. Een triomfantelijke blik. Als hij zegt dat er lighters zijn, zijn er lighters. Geen lighter zal ongezien langs hem komen. Dat moet haast wel een baantje bij de afdeling Bodyscan worden, zoveel toewijding wordt altijd beloond, denk ik.

Hij gooit de lighters in een grote bak achter hem. De volgende passagier.” Lighter, lighter!” De grote bak zit halfvol, er moeten vele honderden aanstekers in zitten. Ik merk nog op dat hij wel een lighter-shop kan gaan beginnen. Even denk ik dat de ontploffing, waarvoor hij zo zijn best heeft gedaan om die te voorkomen, alsnog gaat plaatsvinden. Maar dan keert hij zich bruusk naar de rij achter mij. Ik probeer verder te komen in de drukte, vooruit, naar de vertrekhal. Als ik een stuk gevorderd ben meen ik, tussen de mededeling over een gate-wijziging en de herhaling daarvan, ver weg, boven het geroezemoes uit, nog “lighter, lighter” te horen.

Een paar uur later. Op het vliegveld van Sjarshah in de Verenigde Arabische Emiraten, waar een tussenstop wordt gemaakt, mag worden gerookt. Dit buitenkansje laat niemand zich ontgaan. Maar niemand heeft een aansteker. Die zijn immers allemaal in de ballenbak in India terecht gekomen. Bij mijn reisgenote vormen zich lange rijen. Zij is de enige die er toch nog eentje heeft weten mee te smokkelen….

Op hetzelfde moment in India, enkele duizenden kilometers terug. Een man komt thuis in zijn appartementje in een buitenwijk van de stad. “Hoe was het vandaag?” vraagt zijn vrouw. “Hmm, 678 lighters”. “Dat is bijna je oude record van 702”. “Ja”, mompelt hij. Hij was vastbesloten dit record binnenkort nog eens te gaan verbreken. “Ze zijn zo ontzettend dom, die toeristen, maar vandaag had ik een Hollander die zo dom nog niet was. Ik moest maar een winkeltje beginnen, zei hij”. “Geen gek idee, die Hollanders zijn zo gek nog niet als ze er uitzien; die zien overal handel in”, antwoordt zijn vrouw. Hij knikt en tevreden noteert hij in zijn schriftje: 678.

 
Als we het glibberige en steile pad vanaf de rivier naar het dorp opklimmen, heeft het nieuws zich al verspreid. “Er komen twee vreemdelingen aan!” Tientallen kinderen komen ons tegemoet rennen. Even later komen we op het dorpspleintje, een grote open ruimte tussen bamboehuizen op palen. Het voltallige dorpje is uitgelopen.
We voelen ons een beetje zoals Columbus zich gevoeld moet hebben, toen hij in 1492 voet aan land zette op één van de eilanden van de Bahamas en de door hemzelf zo genoemde Indianen voor het eerst ontmoette. Ongetwijfeld zijn hier vaker reizigers geweest. Maar blijkbaar is ons bezoek toch een belangrijke gebeurtenis. De sleur van het bestaan, dat geruisloos maar onontkoombaar verder stroomt, iedere dag weer naar de volgende dag, wordt heel even ingeruild voor welkome afwisseling en opwinding.
Tegenover ons staat een oude spinnenwebvrouw, die ons officieel maar vriendelijk welkom heet.
De spinnenwebvrouwen. De Chin, een van oorsprong Tibetaans-Birmese stam, wonen op afgelegen plaatsen in het uiterste westen van Birma. Hun woongebied ligt voor het grootste deel in India en Bangla Desh; het oostelijk deel kwam in 1947 onder Birma te vallen. Omdat ze zo geïsoleerd leven, is er hier honderden jaren lang nauwelijks iets veranderd.
De gezichtstatoeages van deze tattooed ladies, in de vorm van spinnenwebben, spreken tot de verbeelding. Niemand weet precies waarom deze tatoeages aangebracht werden. Het is traditie, een onderdeel van een overgangsritueel van puberteit naar volwassenheid. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is het afgeschaft. Je zult dus alleen oudere dames zien met een ‘web on their face’.
Het kost wat moeite om hier te komen. We zijn deze ochtend vroeg vertrokken uit Mrauk U, een plaats die op zichzelf ook al afgelegen ligt. Met de mistflarden boven de Lemrorivier lijkt het hier niet alleen het einde van de wereld, het is het ook zo ongeveer.
Het einde van de wereld, het begin van het paradijs.
Het is een genot om door dit idyllische landschap te varen. Slaperige dorpjes, waar kinderen behendig over de steile gladde rivieroevers naar beneden rennen om naar ons te zwaaien, waar vrouwen de was doen, bamboevlotten over de rivier glijden, en waar verder niet al te veel lijkt te gebeuren. Life in slow motion. Het is hier groen, schilderachtig en puur. Aan de horizon doemen de contouren van de ruige bergen van de Chinstaat op, ons reisdoel.
Een grote menigte dorpelingen staat om ons heen. Een compleet nieuwe ervaring: we zijn even wereldberoemd in de Chin State. De rol van bezienswaardigheid went snel. We hebben cadeautjes bij ons en delen die uit. We voelen ons missionarissen, maar we missen elke bekeringsdrang.
In het volgende dorp begroeten de oudere dames ons weer en nodigen ons uit. Zo zitten we een uurtje op een bankje. Varkens scharrelen onder de houten huizen, kinderen ravotten. We krijgen kokosmelk en een paar banaantjes aangeboden. We verstaan geen woord van elkaar, maar de sfeer is bijzonder goed. Echt contact maken is moeilijk, maar er wordt veel gelachen en niemand weet eigenlijk waarom. De dames lijken het in ieder geval allemaal erg gezellig en vermakelijk te vinden. 
Eén van hen haalt een plastic zakje, met daarin een tandenborstel en een kleine tube tandpasta, te voorschijn. Ze moeten dit ooit van andere bezoekers hebben gekregen. Er ontspint zich een levendig gesprek tussen de dames over wat dit zou moeten zijn. De discussie loopt hoog op en de meningen zijn nogal verdeeld. Dan, tot slot, onderwerpt de oudste dame het zakje nog eens aan een nauwkeurige inspectie. Ze wijst gedecideerd naar haar mond en tanden, die rood en rot zijn van de betelnoten. Wij roepen enthousiast “ja!” en de dame kijkt trots om zich heen.
Ik bedenk me hoe pijnlijk het aanbrengen van de tatoeages geweest moet zijn. Niets van het gezicht werd overslagen, ook de oogleden niet. Niet zelden waren forse ontstekingen, littekens en mismaaktheid het gevolg.
De Chin worden van alle bevolkingsgroepen het ergst onderdrukt door het dictatoriale regime. Mensenrechten worden hier met voeten getreden. Wat is het, dat we hier niet naar durven vragen, denk ik. Gêne, gevoelig onderwerp, misschien gebeurt het wel, maar hier niet?
Het is de worsteling die reizigers in Birma vaker zullen hebben. We weten het, maar we willen het liever wegstoppen. Er is niet alleen een taalbarrière, die maakt dat het lastig is om over zo’n moeilijk onderwerp te praten, maar vooral ook een cultuurbarrière. Aziaten praten niet zo gemakkelijk over gevoelige en persoonlijke zaken dan wij westerlingen. En er is een politiek aspect: deze mensen zouden zelfs in gevaar kunnen worden gebracht als we dit soort zaken ook maar voorzichtig zouden aanroeren.
Ik kijk om me heen. Het leven is hier simpel en het ziet er hier vredig uit. Maar wat gebeurt er buiten ons zicht? Het regime gedoogt de komst van buitenlanders hier weliswaar, maar moedigt een bezoek niet bepaald aan. Het centrale gezag wil dit moeilijk bereikbare gebied ook graag lastig bereikbaar houden. Je mag komen, maar het moet je ook weer niet te gemakkelijk worden gemaakt.
Eén van de dames vaart een stuk met ons mee, om in het volgende dorp op de markt haar spulletjes te verkopen. Ze is zichtbaar blij met de lift en geniet van het korte boottochtje. Ik zie ineens geen toeristische attractie meer, maar een doodgewone bejaarde vrouw die hard aan het werk moet voor haar verdiensten. Ze glimlacht naar ons. Heel even.
Als het bootje even later aanlegt, springt ze soepel uit de boot de oever op. De laatste tattooed lady verdwijnt uit ons gezicht. Binnenkort zijn de spinnenwebvrouwen er niet meer. Erg is dat niet. Ook tradities verdwijnen, het is een wetmatigheid waar geen ontkomen aan is.
Nothing lasts forever but the earth and sky.
De anderhalf miljoen Chin zullen er nog wel even zijn. En daarmee ook hun traditionele geïsoleerde bestaan. De moderne tijd heeft hen nog niet kunnen achterhalen. De oranje zon staat al laag en er steekt een lauwwarme bries op. Door het vredige en verstilde landschap varen we terug naar 2010.
 

Laat in de middag komen we in Swakopmund aan. Het is een weinig inspirerend, erg “Duits” stadje en je waant je haast aan de Noordzeekust, ware het niet dat Swakopmund aan drie kanten is omsloten door de woestijn.
Onze lodge (Dunedin Star) is ver onder de maat, qua onderkomen en qua service, of liever gezegd: geen service. Als we bij de eigenaar melden dat er geen handdoeken zijn, en dat we die graag alsnog zouden willen hebben, zegt hij niets. Hij kijkt vijf minuten omhoog en zegt dan eindelijk: Towels, ah…let me see, no towels, en draait zich zonder iets te zeggen om en loopt weg. De deur van de badkamer hangt er half uit, geen warm water, sloten die niet sluiten etc. Als de volgende dag bij het ontbijt (twee personeelsleden en vijftig hongerige gasten) geklaagd wordt over de service (bestellingen worden maar half en veel te laat afgeleverd), houdt de bedienende dame het voor het gezien: ze serveert, boos als ze is, geen ontbijten meer en loopt weg. Naar buiten. Dat kan hier zo maar.
Maar verder is het goed toeven in dit rustige, winderige stadje.
Het is prachtig zonnig weer, maar wel fris. We wandelen door dit merkwaardige stadje met zijn Duitse gebouwen en Duitse opschriften (overblijfselen uit de tijd dat Namibië een Duitse kolonie was). De kuchen und torte laten we nog even voor wat ze zijn. Eerst naar het strand. Heerlijk uitwaaien.
We passeren enkele Himbavrouwen die op een muurtje zitten. De Himba’s zijn een nomadisch volk uit het noorden van het land. Ze leven nog altijd in grote afzondering. De Himba-vrouwen wassen zich nooit: ze smeren zich in met otjize, een mengsel van geitenvet, kruiden en oker. Door de oker krijgen de vrouwen een typische rode huidkleur, het mengsel beschermt hen tegen de zon. Ook hun sieraden en haardracht zijn opvallend. Een fotogeniek volk. Als we vragen of we foto’s mogen maken verschijnt er ineens een manspersoon die zegt dat dat dan één dollar per foto is (tenzij er vijf op één foto staan, dan is het vijf dollar). Lachend zegt Lione dat hij een lekker handeltje heeft, maar wij trappen hier niet in. Even goede vrienden. Zoals altijd in Afrika.
Een kleine neger komt naar ons toe en stelt zich voor met: “Ich bin Hans”. Als iemand op straat zich zo introduceert ben ik meestal op mijn hoede. Dat blijkt niet helemaal onterecht. Hij heeft een stenciltje in zijn hand, waarop te lezen valt dat een schooltje financieel ondersteund kan worden. Om overtuigender te zijn staan er enkele namen ingevuld met daarachter een bedrag en een handtekening. Wij twijfelen: is dit echt of is dit een slimme truc? We mogen 10 (US) dollar doneren of 20 dollar. Als we zeggen dat 5 dollar toch ook zou kunnen kijkt onze Hans uitermate moeilijk. We gaan er maar niet op in. En weer even goede vrienden.
De stad is schoon, Duits schoon. Overal staan mannen met wollen mutsen te wachten totdat er een papiertje op straat valt om het meteen daarna te kunnen opruimen, zo lijkt het. Geen afval gezien hier. Erg veel sfeer is er niet, vrij lege straten, her en der hangen mannen rond, met alweer geen duidelijk doel of reden. Blank en zwart leven hier volkomen langs elkaar heen: zwart leeft en hangt op straat, blank komt aanrijden in dure auto’s, en haast zich snel één van de vele winkels in. Alle winkels zijn er, alles is verkrijgbaar, maar dan vrijwel alleen voor de blanken. Blanken negeren de zwarte inwoners volkomen.
Enkele kilometers buiten de stad beginnen de townships, waar 32.000 van de 48.000 inwoners van Swakopmund leven. De meesten komen zelden in de stad zelf. De townships in de Namibische steden zijn een erfenis van het kortstondige Duitse koloniale bewind, fanatiek voortgezet door de Zuid-Afrikaanse bezetter. Toen er steeds meer blanken in de steden kwamen wonen, vonden deze dat ze wel erg dicht bij de zwarte mensen kwamen te wonen en zo begon de gedwongen volksverhuizing van de zwarte bevolking naar de achterbuurten, ver van de blanke wijken. Hoewel apartheid en gescheiden wonen officieel zijn afgeschaft hebben veel mensen simpelweg niet de mogelijkheid om elders te gaan wonen. Er zijn dus nog altijd grote concentraties arme zwarte buurten, de townships.

In de namiddag rijden we de stad uit, langs troosteloze industrieterreinen, een stukje woestijn en dan doemt de township op. Eindeloze blokken met bouwsels, bedoeld als huizen. Het zand waait overal. Alle materialen die gebruikt kunnen worden zijn ook gebruikt: golfplaten, hardboard, planken, stenen, karton, gordijnen als muur. In eerste instantie had iedere stam zijn eigen buurt, maar steeds meer woont men ook door elkaar. Het ziet er redelijk ordelijk uit allemaal, maar het oogt wel als een uiterste arme stad. Er is geen elektriciteit. In sommige delen zijn de huizen iets beter: armoede bestaat dus ook in gradaties. Er zijn zelfs blokken “koophuizen”, waarvoor de regering een lening van 3.000 euro verstrekt. Het zijn kleine stenen huisjes, ze lijken meer op schuurtjes, afmeting ongeveer vier bij vier meter.
We bezoeken een Hererovrouw, die over haar stam en haar leven vertelt. Herero’s hebben het niet gemakkelijk gehad. Ze waagden het destijds om zich te verzetten tegen de blanke kolonisator. En daarbij kregen ze het ook nog eens aan de stok met alle andere zwarte stammen. Een bijna onmogelijke positie. Het volk was bijna uitgeroeid.
Het geloof van de Afrikaan in de genezende werking van kruiden en allerlei andere onduidelijke mengsels (zelfs bavianenpoep!) is heilig en de kruidenvrouw waar we op bezoek zijn heeft dan ook een belangrijke functie. Ze laat ons allerlei potjes met onbestemde inhoud, smeersels met bedenkelijke ingrediënten en zalfjes zien. Voor iedere kwaal is een oplossing, vaak wel meerdere. Honderden, zo niet duizenden potjes heeft ze. Ze bedient een kwart van de wijk, wat nog altijd 8.000 mensen is!
Als we even later een schooltje bezoeken is de consternatie in de klas groot. Wat bij binnenkomst nog een ordelijke verzameling kinderen is, ontaardt al snel in chaos en hilariteit als we foto’s beginnen te maken. Uiteindelijk belanden we tegen de avond in een lokale kroeg. We eten Afrikaans voedsel: een soort pannenkoek, wilde spinaziesaus en gefrituurde rupsen. Die laatsten smaken niet eens zo onaardig. Met een plaatselijk biertje erbij kijk ik rond in dit cafeetje. Een paar mannen hangen aan de bar. Er is ook niet veel anders te doen hier.
Als we ’s avonds door de straten van deze township lopen, komen de kinderen op ons af. Onze fotocamera oefent een magische aantrekkingskracht op hen uit. Iedereen wil op de foto. De sessie duurt nog een behoorlijke tijd.
We vinden het bezoek indrukwekkend. (Economische) apartheid bestaat nog altijd en dat zal niet alleen in Namibië zo zijn. De kinderen kijken desondanks blij en zijn vriendelijk. Dat siert hen. Arm maar toch blijmoedig iedere nieuwe dag in gaan. Bijna overbodig om nog te vermelden dat een bezoek op eigen houtje af te raden is. Een goede plaatselijke gids, die in deze township is opgegroeid en de buurt door en door kent, is hier absoluut aan te raden.


VENEZUELA

We hebben die nacht niet echt lekker geslapen. Ons huisje, hoog in de bergen nabij het dorpje Caripe, is kil en klam. Buiten is het ook opvallend koel en een beetje mistig . Desondanks ontbijten we buiten aan een lange houten tafel. Er zijn hier paarden en mijn altijd ondernemende dochter heeft het voor elkaar gekregen dat ze een ritje mag maken. “Nou, vooruit, als het maar snel is, want ons busje vertrekt zo meteen”. Ze laat het zich geen tweede keer zeggen. Trots maakt zij haar rondje.
Dan besluit ineens ook mijn zoon dat hij op het paard wil. Hij is minder fortuinlijk: ergens halverwege het rondje glijdt hij van zijn paard en belandt in de modder. Het huilen staat hem nader dan het lachen. Niet eens omdat hij toch flink gevallen is, maar vooral omdat hij onder de smurrie zit. We hebben nog een paar minuten en snel rennen we naar ons huisje om hem schoon te spoelen. Als we vertrekken, zie ik dat de kamer onder de modder zit. Geen tijd meer. Met een schuldgevoel dat ik de boel zo vies achterlaat stap ik in de bus.
We rijden via Maturin naar het zuidoosten. Een lange rechte saaie weg. Weinig te zien, weinig begroeiing, weinig kleur, geen dorpjes. Veel niets. Stof en een loodgrijze lucht. De lucht siddert van de hitte, het is vochtig en klam. Na twee uur houdt de weg abrupt op in het dorpje San José de Buja. Het ligt aan de rand van de Orinocodelta, een gebied met veel kreekjes, rivieren, regenwoud en moeras. Ons doel is een bezoek aan een stukje van deze delta en haar bewoners, de Warao-indianen.

Het slaperige dorpje ademt weinig leven en sfeer uit zo midden op de dag. Een armoedig, Caribisch aandoend plaatsje. Loomheid regeert hier. We gaan met onze gids op zoek naar de kapitein die ons door het gebied moet varen. In eerste instantie is hij nergens te vinden, maar dan wordt na een kwartier zoeken de man languit liggend in een steegje gevonden. Hij lag een dutje te doen en komt langzaam bij. Hij lijkt nogal dronken. Ik vraag me af, of dit wel goed gaat, maar de man komt snel bij zijn positieven en loopt nu redelijk recht voor ons uit naar de boot. We varen door een groen gebied, langs de mangrovebossen, tot we bij een strandje komen waar een Warao-dorp is.

De Warao hebben het niet gemakkelijk. Een aantal leven nog op de authentieke manier, hier in de delta, levend van visvangst en jacht. Maar veel indianen zijn, al dan niet vrijwillig, vertrokken. De Venezolaanse regering heeft het niet zo op de indianen en wil ze uit dit gebied hebben, en het liefst wil men helemaal van ze af. In San José de Buja leven een aantal families volkomen berooid en ontheemd in de opvang, zonder ook maar een glimp uitzicht op een beter lot.
In het Waraodorp waar we nu zijn leven nog wat families in “vrijheid”. De huisjes zijn op palen gebouwd, ter bescherming tegen water en ongedierte. De sfeer is gemoedelijk. De mensen begroeten ons hartelijk en lachen. Er varen wat indianen met hun kano’s op de rivier en één van hen nodigt mijn dochter Eva uit om mee te varen. Ze kijkt me vragend aan, en als ik zeg dat het goed is, stapt ze trots in. Met een indiaan in een kano door het regenwoud. Ze heeft al wat van de wereld gezien, deze meid van elf jaar, maar dit is toch wel een heel stoer avontuur!!

Terug in San José de Buja doen we inkopen bij de supermarkt. Het is de bedoeling dat we spulletjes en eten gaan uitdelen bij ons bezoek aan de opvang. Als we de grote overkapte ruimte betreden schrikken we toch wel. Kinderen rennen spelend of ruziemakend rond, zwerfhonden doen vrolijk mee, er springen zelfs apen door de rommelige ruimte, maar de volwassenen zitten of liggen er volkomen apathisch bij. Ze hebben een hangmat, en er liggen wat losse spulletjes naast. Dit is alles wat ze hebben. Een paar vierkante meter ellende.

Er heerst een matte gelaten sfeer. Ik heb mijn kinderen geïnstrueerd: “je geeft je spulletjes netjes aan een man of vrouw en zegt: asjeblieft”. Tja, wat moet je anders. Het is toch wel gênant. Reizen is niet alleen de mooie dingen opzoeken, je verbazen en verwonderen, maar zeker ook registreren wat de werkelijkheid is. En je daarover verbazen. En dit is op dit moment de werkelijkheid. Die is nu even niet al te mooi.
 
Eva en Joeri overhandigen hun spulletjes aan deze levende doden in hun hangmatten, maar er volgt geen reactie. Het wordt aangepakt en weggelegd. Geen oogcontact. Ze draaien hun hoofd weg. Geen dank je. Waarom zouden ze ook. Ze lijken volkomen van de wereld. Doordrenkt van ellende. Verdoofd om niet de werkelijkheid te hoeven zien. Mijn kinderen begrijpen het. “Ze was er toch wel blij mee, hè Pap” zegt Eva, een beetje onzeker om bevestiging vragend dat ze het niet verkeerd heeft gedaan. Joeri is er stil van.

Op de terugweg worden er niet veel woorden gewisseld. We zijn onder de indruk en we voelen ons warm, klam en vies. In Maturin zullen we die nacht in vijfsterren hotel slapen. Op blote vuile voeten en met kleren onder zweet, modder en vuil rennen mijn kinderen door de chique lobby naar het zwembad en springen er met kleren en al in. Ik ren er achter aan en doe hetzelfde. Het inchecken komt straks wel……

Eigenlijk zou ik dit verhaal niet hoeven te vertellen. Myanmar zou dat niet nodig moeten hebben. Maar ik heb het beloofd. En belofte maakt schuld.
We lopen door het drukke Yangon. Ik zie een vlag, die ik niet herken als de vlag van Myanmar. “Dit is toch niet de vlag van dit land?” vraag ik me af en ik zeg het tegelijkertijd hardop tegen Lione. Een passerende man lijkt precies begrijpen wat ik zeg en vraagt waar wij vandaan komen.
“Ze hebben het veranderd” antwoordt de man, wijzend op de vlag. “Van het ene op het andere moment. Just like that”. “Is daar een reden voor?” wil ik weten. “Deze regering heeft en geeft nooit een reden. Ze doen gewoon waar ze zin in hebben. Ons wordt niets verteld en ons wordt niets gevraagd. They don’t care about the people”.
We staan perplex. Dit hadden we niet verwacht. Hij is opvallend openhartig. Dat is ons de afgelopen weken wel vaker opgevallen. In iedere dictatuur, maar hier in het bijzonder, verwacht je angstig stilzwijgen. Zeker als het over het regime gaat. We hadden ons dan ook voorgenomen om het onderwerp nooit zelf aan te snijden. We zouden mensen niet in verlegenheid, of zelfs in gevaar, willen brengen. Maar de mensen beginnen er spontaan over met ons en de kritiek is nauwelijks meer verhuld.
Een fout regime. Een regering die niets om de bevolking geeft, die onderdrukt, en die wreed en niets ontziend is. De boycot van veel westerse landen lijkt dit regime niet te raken, laat staan te verzwakken. Het raakt de bevolking helaas wel, het land holt eigenlijk alleen nog maar achteruit. “Waarom komen jullie niet? Waarom laten jullie ons in de steek?” hebben we vaak gehoord. Beschaamd moesten we steeds zeggen, dat we dat ook niet wisten. Want goedbeschouwd is er geen enkele reden om dit land te mijden. Integendeel.
Myanmar. Het toerisme in dit – economisch gezien – bijna minst ontwikkelde land ter wereld is volkomen ingezakt. En dat terwijl het land enorm veel te bieden heeft. Het doet zeker niet onder voor andere landen in de regio, zoals Thailand, Laos of Vietnam, die wel in de gratie zijn bij reizigers. Eigenlijk heeft het alles wat deze landen ook hebben. En nog net iets meer. Behoorlijk wat meer, nu ik er over nadenk.
Het land is jarenlang afgesloten geweest van de buitenwereld. Nog niet zo lang geleden kwam je het land niet eens in. De wereld wilde niets van Myanmar weten en Myanmar wist weinig van de wereld. Nauwelijks westerse moderne invloeden. Door deze isolatie heeft het land zijn oorspronkelijke karakter nog weten te bewaren.
Myanmar is uniek en wat de reiziger in Myanmar aantreft, zal hij in geen enkel ander (Aziatisch) land meer aantreffen. Je waant je in een willekeurig Aziatisch land in de jaren vijftig. De sfeer is ontspannen, de mensen (ondanks hun armoede) vriendelijk, beleefd en zachtaardig. Geen land is zo relaxed en veilig.
Buiten de steden domineren karren, voortgetrokken door zeboes en waterbuffels het beeld. Mensen bewerken hun land op een manier zoals dit hier honderd jaar geleden gebeurde. Hier heerst de rust en gemoedelijkheid van het fraaie platteland, en tref je een kleurrijk straatbeeld aan in dorpen en steden, waarbij je ogen geen moment rust gegund wordt. En overal die opgestoken hand, die vriendelijke lach.
Het is voor ons haast onvoorstelbaar dat iedereen, maar dan ook echt - zonder uitzondering - iedereen, zo innemend en vriendelijk is. Doen onderdrukking en armoede juist het beste in het karakter en gedrag van een volk naar boven komen? Of is het gewoon altijd al de volksaard geweest? De Myanmarezen nemen het vaak zware leven zoals het is. En hoewel dat niet veel is, maken ze er toch iets van. Te beginnen met een positieve vriendelijke houding.
Wat een innerlijke kracht moet je hebben om aan een nieuwe dag van hard werken te beginnen, die misschien – maar zeker is dit bij lange na niet – anderhalve  dollar gaat opleveren. En dan je glimlach niet verliezen.
Myanmar is het gouden land dat gouden mensen herbergt, met een gouden glimlach.
Gouden pagodes, kloosters, monniken, tempels: je vindt ze overal en in grote aantallen. Nergens ter wereld heeft het Boeddhisme zulke diepe wortels in het dagelijks bestaan van de mensen, in al zijn facetten. Myanmar is met geen enkel ander land te vergelijken, Myanmar is vooral nog heel erg zichzelf.
“Het regime is bang”, zegt een man met wie op de laatste dag van ons verblijf in Yangon in gesprek raken. “Ze willen de macht behouden en ze zullen daar alles voor doen. If they loose they will go to prison, they know that”. Ik denk aan dictators met wie het uiteindelijk ook niet zo goed is afgelopen. Dat zijn er nogal wat als ik het rijtje snel af ga. Ik knik. Wat moet je zeggen? Hij raakt de kern van het probleem.
 “Het land is rijk aan grondstoffen, gas, edelstenen” gaat hij verder. “Het regime handelt met China, Thailand, India, Maleisië. Ze betalen zo hun torenhoge schulden af. Dure huizen, dure paleizen, een hele nieuwe dure hoofdstad bouwen ze, waar geen mens mag komen. Het is een spookstad. Een duur prestigeobject waar niemand iets aan heeft. Weggegooid geld. En voor ons doen ze niets”.
Hij zwijgt even. “They don’t care” zegt hij dan. We zeggen niets. We hebben er geen oplossing voor. Die lijkt, als die er al is, ver weg.
De Birmezen beseffen heel goed hoe de vork in de steel zit. Het regime controleert hun hele leven. Velen willen graag eens naar het buitenland. Zoveel vrijheden te wensen. Deze zachtaardige mensen verdienen het meer dan ooit en misschien wel meer dan welk volk dan ook. Stilletjes begint het volk te hopen en te praten, is onze indruk van een maand reizen door dit land.
“Tell your people to come. We need them” is het laatste wat hij zegt, voordat hij ons een hand geeft en wegloopt.
Bij deze.

We lopen over de Avenida de Mayo. Een bruisend straatbeeld. Statige panden, brede straat, drukte. Grootsteedse allure. De Mayo is nog steeds één van de betere straten, hoewel de verloedering hier en daar toch wel zijn intrede doet. Het is symbolisch voor de hele stad. Grandeur maar ook intredend verval. Buenos Aires heeft wat meegemaakt, deze stad is doorleefd. Passie en dramatiek. Bloedige tijden, zweet en tranen. Oorlogen en staatsgrepen, maar ook vooral hoop, hoop op een nieuw en beter leven. Argentinië, immigrantenland bij uitstek in de 19e eeuw. Er is allemaal weinig van te merken op deze zomerse dag in deze drukke straat. Alles en iedereen gaat hier gewoon zijn dagelijkse gang.

Hoewel ik de stadsplattegrond vooraf goed heb bestudeerd (een schaakbordstratenpatroon, piece of cake!) besef ik dat we aan het verdwalen zijn. Het is vijfendertig graden en een terrasje, waarvan er in het centrum toch tientallen te vinden moeten zijn, zou welkom zijn. Maar het lijkt hier inmiddels al lang niet meer op het centrum. De buurt wordt allengs minder. Wat beduimelde vage kantoren, dubieuze kroegen en verloederde woonhuizen, waar geen leven lijkt te zijn. De ouderdom zucht hier, de huizen ademen moeheid. Maar het staat er voorlopig nog wel even. Het is stil op straat.

Het duurt altijd even voordat ik wil toegeven dat ik fout zit, maar na enkele honderden meters neem ik dan toch het onvermijdelijke besluit: dit gaat niet de goede kant op. Ik zie twee politieagenten en stap beslist op hen af om de weg te vragen. Er zijn tijden geweest dat niemand in dit Zuid-Amerikaanse land vrijwillig op politie afstapte. Vandaag de dag zijn die donkere tijden al weer lang verleden tijden. Het is 2008, en er is veel veranderd in Argentinië. Later op de middag worden we onverwacht toch met een duister stuk verleden geconfronteerd.

We komen na een lange wandeling op Plaza de Mayo. Ik herken het plein onmiddellijk van foto’s. Het is niet zo groot als ik had gedacht, eigenlijk is het niet eens zo’n opvallend plein.
Maar het is ook niet zo maar een plein. Hier is veel van de roerige politieke geschiedenis van dit land geschreven. Er lijkt een oploopje te zijn en als ik dichterbij kom zie ik vrouwen. Meest oudere vrouwen, met een hoofddoekje en een gelaten zorgelijke blik. Ook dit herken ik, van oude journaalbeelden.

Het zijn de Dwaze Moeders. Vrouwen waarvan de zoon, de man of de vriend verdwenen is onder de dictatuur eind zeventiger jaren. De beweging ontstond spontaan, toen een groep moeders opheldering ging vragen aan de autoriteiten. Ze werden niet ontvangen, en gingen toen maar zwijgend rondjes over het plein lopen. De week daarop kwamen ze terug, en dat doen ze elke week, nu al dertig jaar lang.

Het is een kleine groep en zwijgend beginnen ze te lopen in een rondje over het plein. Als ze me twee keer gepasseerd zijn, beginnen we, de stilte overnemend, mee te lopen. Hier past enkel zwijgen. Waarom we meelopen, weet ik niet, en ik weet ook niet of het gepast is. Is het solidariteit, die we al jaren met hen hebben en die we nu ook werkelijk kunnen tonen? Is het respect, bewondering voor hun moed destijds? Of is het omdat we ons, thuis voor de TV, altijd aan de kant hebben voelen staan, en dat nu op dit moment niet langer kunnen blijven doen?

Het gebeurt eigenlijk gewoon vanzelf, besef ik.

Nu ik oog in oog sta met deze inmiddels wereldberoemde vrouwen weet ik eigenlijk niet wat ik hiervan moet vinden. Het is allang niet meer de vraag om een antwoord. Het is een ritueel. Begonnen als kreet om opheldering, om aandacht voor de verdwijningen van hun dierbaren, zijn ze inmiddels verworden tot een instituut. De belichaming van burgerlijk verzet, van strijd tegen sociaal onrecht. Inmiddels hebben ze ook van officiële zijde meer erkenning en aandacht voor hun zaak gekregen: Argentinië is nu een democratisch land.

Maar ik denk aan die beginjaren. Is het dwaas om in cirkels te blijven lopen als je radeloos bent? Elke week weer. Duizenden cirkels. Het eindigt nooit.
Wanhoop die door hart en ziel heen snijdt. Eenzaamheid. They dance alone.

Why are there women here dancing on their own?
Why is there this sadness in their eyes?
Why are the soldiers here
Their faces fixed like stone?
I can't see what it is that they dispise
They're dancing with the missing
They're dancing with the dead
They dance with the invisible ones
Their anguish is unsaid
They're dancing with their fathers
They're dancing with their sons
They're dancing with their husbands
They dance alone They dance alone

Je hoeft de tekst van Sting niet meer dan één keer te lezen om te beseffen hoe prachtig hij dit heeft verwoord. En vooral om te begrijpen hoezeer de levens van deze vrouwen, en van vele andere onschuldigen, verwoest zijn. Hun cirkel eindigt niet.

Het maakt indruk op ons. We lopen mee, één rondje, een kortstondig bijzonder moment. Alsof we ineens zelf in oude journaalbeelden verzeild zijn geraakt. Dan steken we het plein over en lopen de Avenida de Mayo weer in. We naderen een demonstratie tegen massaontslagen. Politiebusjes en politiemannen met schilden staan overal opgesteld. De sfeer is grimmig. Toch maar beter niet de weg vragen nu….. We proberen gehaast de menigte te passeren. Oproer moet niet te dichtbij komen. Bij charges wordt geen onderscheid gemaakt vermoeden we zo. Wie niet op tijd weg is, gaat mee. We willen veel zien in deze stad, maar een cel staat niet op ons programma.

Roerig, het hoort bij dit land en bij deze stad. Een stad waar het leven met passie geleefd wordt. Een volk vol weemoed en verlangen naar de oude moederlanden, naar rijke tijden van weleer, met een diepgewortelde liefde voor het land en met de blik op de toekomst gericht. BA leeft nog wel even door. En met deze gedachte strijk ik neer op één van de vele terrasjes. “Vino bianco, dos, por favor”.

We hadden, zoals altijd, nog wel zo goed opgelet met dit restaurantje aan de oever van het Tobameer, vlakbij de veerboot naar het eiland Samosir. Een quick scan leverde op dat men hier geen hondenvlees door de nasi serveerde (want dat wordt speciaal met een code aangegeven), dat het er schoon en keurig uitzag en dat het redelijk vol zat met gasten. Normaal gesproken betrouwbare aanwijzingen dat er veilig gegeten kan worden. Het signaal stond dus op groen. Maar toch ging het mis. Goed mis zelfs.
We staan op de veerboot, die ons terugbrengt van Samosir naar het vasteland. Ik loop naar de andere kant van de boot, voor een beter zicht op het prachtige Tobameer. Naast mij staat een local, een jongeman. Nadat ik de voor de hand liggende vraag waar ik vandaan kom heb beantwoord, begint hij een gesprek. Hij is artiest. Hier vindt hij het maar niets. Geen opportunities. En jawel, daar komt hij dan, de vraag die ik al voelde aankomen: kan ik niet met jou mee naar Nederland? Ik probeer het gesprek van onderwerp te laten veranderen en dan zie ik in mijn ooghoek achterin de boot Lione staan. Ik zie het al van een afstand: ze is er niet best aan toe.
Heftige krampen. Een asgrauw gezicht. Lione is niet vaak ziek. Als ze zegt dat ze ziek is, is ze ook echt ziek. Bezorgd bedenk ik me hoe dit verder moet. We moeten straks per auto nog heel wat kilometers maken naar de volgende overnachtingsplek. Heel wat uren.
Ziek worden, het overkomt ons allemaal wel op reis. Als je dan niets hoeft is het recept eenvoudig: je trekt je een dag terug. Je gaat op bed liggen en hoopt dat het vanzelf weer goed komt. Twee verloren dagen en je kunt er weer tegen aan. Maar als er gereisd moet worden, kan het een ware hel worden. En dat wordt het dan ook voor Lione.
Gelukkig heeft ze een gat in de boot gevonden en daar belanden ongelofelijke hoeveelheden maaginhoud in. Als we zijn aangemeerd, loopt Lione met veel moeite en een van de pijn en ellende verwrongen gezicht naar de auto. Op zo’n moment kun je maar één ding bedenken: rijden en wel snel. Verbreek alle snelheidsrecords. Ik wil liggen. Ik wil naar bed. Ik wil niets meer. Ik weet niet meer wat ik wil……
Maar snel rijden is op Sumatra geen optie. Na twee uiterst pijnlijke en hondsberoerde uren houdt het voor Lione op. Ze kan niet meer. Maar het moet. Nog zeker twee uur te gaan. Hoe lang houdt zij dit nog vol, bedenk ik me als ik een bordje: “Sipirok, 102” zie, en een tijdje later “Sipirok, 105”. Hè???? 
Het gaat een uurtje goed. Dan houdt de weg ineens op. Over een afstand van 400 meter is de weg weggeslagen. Een aardverschuiving na een aardbeving heeft de weg veranderd in een maanlandschap: diepe gaten en kraters. Er kan geen auto op eigen kracht langs. Inventieve buurtbewoners bieden hun diensten aan. Met lange touwen trekken zij de auto’s over die paar honderd onoverkomelijke meters. Maar we moeten op onze beurt wachten. Als wij aankomen wordt net een bus omhoog getrokken. En dat gaat wel, maar niet zo heel snel. Dat wordt een lange stop, zo denkt ook onze chauffeur.
We moeten de auto uit en een behoorlijk stuk omhoog lopen. Dat kost Lione uiteraard veel moeite. Ze kan echt niet meer. En daar staan we dan. In the middle of nowhere, langs een verwoeste weg, 50 kilometer van ons einddoel en voor Lione 50 kilometer van haar verlossing: alléén zijn wil ze, slapen. Maar dat is allemaal verder weg dan ooit. Het is bloedheet en er is geen schaduw te bekennen. We staan in de brandende zon. Lione krijgt het benauwd, heet en staat te trillen op haar benen. Kracht 8.6 op de schaal van Richter. “O my god, dit is het einde” weet ze nog uit te brengen. “Dit ga ik niet overleven”. 
Wachten, wachten, ik probeer haar op de been te houden. Ik heb visoenen van helikopters die Lione moeten komen oppikken en naar een ziekenhuis vliegen. De telefoon, waar is hier een telefoon?
Lione heeft het idee dat haar laatste uurtje geslagen is, hier houdt het op. Dit is het laatste dat ze ziet. En in haar beleving is dit ook de werkelijkheid. Hoe lang duurt het nog, denk ik, steeds bezorgder. Kan ik helpen trekken?, vraag ik. Alsof dat de boel zal versnellen.
En dan eindelijk zijn wij aan de beurt. De chauffeur start de auto, geeft ongelooflijk veel gas, en de mannen trekken uit alle macht de auto over de grote gaten, hobbels en obstakels heen. Dit was hem alleen nooit gelukt.
We zijn weer op weg. Nog een half uur te gaan. Dan zijn we eindelijk in onze lodge. Lione gaat liggen en valt snel in slaap. Dat zal haar goed doen, denk ik. Hopelijk is ze vanavond alweer een beetje beter. Ik ga een Bintang kopen in de buurt en nestel me op ons terras.
Dan pas voor het eerst zie ik de omgeving: weelderig groen met bergen op de achtergrond, gehuld in een blauwe waas. De dreigende cumuluswolken laten ruimte voor de zonnestralen die zich over dit vredige landschap uitstrooien. Het zorgt voor een fraai licht- en kleurenspel. Het zal wachten worden, wachten totdat Lione weer is opgeknapt. Dat wordt geen straf, bedenk ik me. Ik ga er nog eens goed voor zitten en neem een slok.

In Nairobi nemen we de lijnbus naar Arusha. Na de gebruikelijke hectiek van een Afrikaans busstation te hebben overleefd, bemachtigen we een mooi plaatsje voorin. Na twee uur rijden bereiken we de grens.

Het gebruikelijke programma wordt hier afgedraaid. Lopen naar de grenspost, dringen, duwen, zwaaien met je papieren, nog eens dringen. Nors bekijkt de dienstdoende ambtenaar de papieren en paspoorten, stempelt ze af alsof hij zijn laatste krachten moet inzetten en schuift alles ongeïnteresseerd van zich af. Naar buiten, stukje niemandsland, weer een kantoortje in. Een half uur later lopen we naar de bus die verderop klaar staat.

Als we instappen zien we tot onze verbazing dat onze zitplaatsen al zijn ingenomen door een dame. Pontificaal heeft zij zich genesteld tussen onze tassen. Dat vinden wij toch wel het toppunt van lef. Als je graag voorin wilt zitten, kun je dat ook vragen. Van stiekem gedoe houden wij niet! Wij maken dit aanvankelijk vriendelijk duidelijk, maar de Spaanse dame geeft geen krimp.

We zetten een andere passagiere in, die tolkt; wij schakelen de chauffeur in die de señora te kennen geeft dat these people recht hebben op these seats. Het mag allemaal niet baten. De dame is geenszins van plan de zojuist door haar ingenomen vesting zo maar op te geven. Ze kijkt met een arrogante blik strak voor zich uit. Ik vind het genoeg zo. Ik besluit, net als in de Tachtigjarige Oorlog, grof geschut tegen Spanje in te zetten in de vaste overtuiging het fort weer snel te heroveren. “Als je nu niet héél snel ……, dan zal ik…..” In het Nederlands. De wetenschap dat zij het niet letterlijk zal verstaan maakt deze uitbarsting voor mij iets gemakkelijker. Ik wist niet dat ik zo dreigend kon zijn. Het heeft direct effect. De dame haast zich geschrokken naar achteren en even later zijn we dan eindelijk op weg naar Arusha.

Arusha, safarihoofdstad van Tanzania. Een boomtown, sinds het zich het centrum van alle safariminnende toeristen mag noemen. Een rommelige, gezellige en bruisende Afrikaanse stad waar we niet lang blijven. We komen hier nog terug, maar eerst wachten de parken op ons. In onze jeep gaan we op weg naar het westen.

Na Arusha wordt het weer rustig op de weg, weinig mensen te zien, een mooi en leeg, typisch Afrikaans landschap. Lake Manyara is een prachtig meer, waar de weg omhoog gaat en we door een bijna tropisch woud rijden. Het is hier weelderig en uitbundig groen. Het verrast me; we zijn in Kenia of Tanzania nog geen echt bos tegengekomen. Niet lang daarna bereiken we op 2200 meter de rand van de Ngorongorokrater. De bodem van de krater ligt zo’n 600 meter lager. We hebben een spectaculair uitzicht op de hele krater, die een doorsnee van zo’n vijftien kilometer heeft. Het is de droge tijd en het zoutmeer in het midden van de krater is opgedroogd, een wit uitgeslagen grote vlek in een geel/bruinachtige vlakte. Het is heiig maar de overkant is nog te zien.

In dit kleine stukje paradijs moet zich een enorme concentratie aan wildlife bevinden. Als er ooit een paradijs is geweest, dan moet het hier geweest zijn. Zo moet het bedoeld zijn.

Er komt een Masaiherder met zijn kudde naar boven. Als hij bijna boven is, is dit een mooi fotomoment, vind ik en ik sta al in de aanslag. Hijgend en zwoegend bereikt hij de top, snel afdrukken, want deze man kijkt niet blij. Later hoor ik dat de meeste herders met kuddes hier hebben moeten verdwijnen, de toeristen zijn met hun inkomsten blijkbaar belangrijker. Ze betwisten nog altijd het recht om hier te mogen weiden. Ik begrijp wel dat de man niet blij is alweer tegenover zo’n knippende toerist te staan.

Andere Masai omarmen het toerisme wel. De volgende dag is onze Masaichauffeur tegen een extra vergoeding bereid om de illegale afdaling, de krater in, te maken. Met een noodgang scheurt hij bijna loodrecht naar beneden over kleine steile paadjes. Een ware sensatie, en ja, ik weet het: dit is volstrekt “not done”. Natuurlijk begrijpen we dat je de officiële toegangsroute moet nemen om de natuur te sparen, maar voor een keertje…. Als kinderen in de achtbaan joelen we onze kreten de krater in.

We rijden kriskras door de krater en zien zebra’s, antilopen, struisvogels, hyena’s. We genieten van dit landschap en misschien nog meer van het feit dat we hier in ’s werelds beroemdste krater rondrijden. Dan spotten we twee leeuwen, een vrouwtje en een mannetje. Het is mating season, wat tot grote stress voor beiden leidt. Er moeten veel pogingen worden ondernomen om de kans op succes (nakomelingen) te vergroten. Overtime dus….. We hoeven niet lang op de volgende poging te wachten. Meneer heeft er weinig tijd voor over, binnen no time heeft hij zonder enig spoor van interesse zijn kunstje volbracht, mevrouw gromt en valt naar hem uit en beiden blijven uitgeput liggen. Zo gaat dat tientallen keren per dag, een ware uitputtingsslag voor beiden.

Aan de oever van een meertje zitten wij in het gras en beginnen wij aan ons lunchpakketje. Niet ver van ons vandaan, in het water, liggen nijlpaarden bijna roerloos in de middagzon. Aanvankelijk eet ik wat sneller, alsof ze plotseling uit het water op me zouden kunnen afstormen . Het gevaar komt echter niet van voren, maar van boven blijkt even later. Een zwarte wouw zet een luchtaanval in op de lunch van mijn buren.

Als we tegen het vallen van de avond in onze lodge voor het grote raam - met uitzicht op de krater - zitten, bedenk ik me dat ik een nacht in dit paradijsje mogelijk niet zou overleven. De mens is veranderd, wij trekken ons terug in veilige forten, zodra het donker wordt. Hier buiten in het veld slapen is geen optie.
Ik zie niet ver van mij vandaan silhouetten van olifanten scharrelen. Wat mij betreft mogen ze dichterbij komen. Tevreden schenk ik mijn glas nog eens vol. Paradise by the evening light……

Na een rit van zevenhonderd kilometer komen we eindelijk aan in Ngepi Kamp. Het is inmiddels al zo goed als donker. We krijgen bij de receptie de sleutels van onze kamer en zoals gebruikelijk loopt één van de bedienden met ons mee om ons nieuwe onderkomen voor de komende twee nachten te wijzen.

Bij iedere aankomst in een nieuw hotel is het altijd spannend om te zien waar je terecht komt. Hoe ziet het onderkomen er uit en: waar ligt het? Soms dichtbij de receptie en eetzaal, soms wat achteraf. Maar dit keer duurt het wel heel lang. We blijven maar lopen, het is aardedonker en er komt geen einde aan. Waar brengt hij ons naar toe?
De receptie en andere huisjes liggen al ver achter ons. We zien helemaal niets meer. In het flauwe schijnsel van de zaklamp van de bediende zetten we voorzichtig onze voeten in het donkere niets neer, stap voor stap. Onze bagage begint zwaar te worden. Een smalle plank over het water, een riviertje? Met misschien wel krokodillen? Oppassen waar we onze voeten neerzetten nu. Het gaat maar door. Bezorgd beginnen we ons af te vragen hoe we in het pikkedonker straks de weg terug zullen vinden, voor het avondeten, en hoe vinden we vanavond laat na het diner ons huisje terug?
Uiteindelijk, na zo’n twintig minuten, staat de bediende stil en knipt een licht aan. We staan voor een boom aan de rivier. In de kruin van de boom, zo’n vier meter boven de rivier, is een platform gemaakt met vijf zijden. Het is ongeveer vijf bij vijf meter groot. De “muren” zijn bamboe rolgordijnen, die omhoog getrokken zijn, zodat we vanaf het platform de duisternis in kijken.  
In het midden van het platform staat een groot bed, met aan iedere kant een nachtkastje en aan de rand een toilet en douche. We zitten hier in het donkere niets, ver weg van alles, en slapen vannacht op een min of meer open platform in een boom boven de rivier, waar nijlpaarden zitten. Even slaat de paniek lichtelijk toe. Hier zijn we wel erg op onszelf aangewezen!! We zetten onze spullen neer en met de bediende wandelen we terug voor het diner. Na het diner worden we met de pick-up teruggebracht. Dat is een meevaller, want je ziet hier werkelijk niets en je moet er niet aan denken dat je zaklamp het begeeft.
Moe als we zijn gaan we eerst maar eens slapen. We trekken de bamboe rolgordijnen die door iemand zijn neergelaten weer omhoog, zodat we in de openlucht slapen. Overal om ons heen horen we de geluiden van de Afrikaanse nacht. De nijlpaarden morren en knorren onder ons en om ons heen. Uiteindelijk vallen we in een beetje rusteloze slaap, die wreed verstoord wordt als Lione enorme bulten, zo groot als een ei, op haar been ontdekt. In het bijna donker sla ik de deken open en kan de dader, een reuzeninsect dat ik niet heb kunnen identificeren, nog net grijpen en vermorzelen…..

De volgende ochtend om half zeven ziet de wereld er anders uit, heel anders. Als we ons even oprichten is het eerste dat we zien, de net boven de horizon uitkomende zon boven de rivier en de bomen. In ons grote bed genieten we hiervan. Het is vaak het mooiste moment van de dag, als het licht nog niet hard is en de wind nog wat koeltjes. Zeker hier.
Dit is inderdaad toch wel heel mooi wakker worden, zo heerlijk alleen en zo helemaal Afrika. Lione zegt dat ik zo hard heb gesnurkt dat zelfs de nijlpaarden protesteerden. Na iedere snurk kwam er geïrriteerd antwoord van beneden. Ik troost me met de gedachte dat ik waarschijnlijk hun taal heb gesproken. Communiceren met nijlpaarden als je slaapt. Het zou zo maar kunnen.
Na het ontbijt genieten we op ons platformpje, we wandelen wat en ’s middags maken we de tocht met een mokoro (oorspronkelijk een uitgeholde boomstam, tegenwoordig van kunststof) over de Okavangorivier. Grote hordes gasten staan te wachten, ze willen allemaal met de mokoro’s mee en even vrezen we het ergste: spitsuur op de Okavango?? Maar als iedereen in de mokoro zit en de bootjes wegvaren, varen we redelijk alleen over de rivier. Vrijwel geluidloos gaat het over het water, veel vogels aan de kant en wat nijlpaarden verderop die hun ogen lodderig boven het water uitsteken.
Wat we dan nog niet weten, maar pas later ergens lezen, is dat nijlpaarden de meest agressieve dieren van Afrika zijn. Ze maken de meeste menselijke slachtoffers. Ze kunnen zo maar ineens een bootje aanvallen en dat omduwen. Daar schijnt geen reden voor te zijn. Gewoon, omdat nijlpaarden daar soms zin in hebben. Maar onze mokoroman vaart behendig om deze monsters heen. Ze kijken ons sloom aan en lijken weinig zin te hebben in spelletjes met toeristen.

In de namiddag zitten we weer op ons platform boven de rivier. Het blijft goed uitkijken waar je loopt, wil je er tenminste niet van af vallen…. De rivier stroomt traag onder en langs ons heen. We zitten lekker in de schaduw van de boom. Vogelgeluiden en verder niets. We vinden dit toch wel een ultieme plek. Zeker bij daglicht!
Ik verheug me op een heerlijke douche straks. Rond vijf uur hebben we even warm water, is ons verteld. Hopelijk zijn de meeste boten met toeristen dan al gepasseerd. Want je doucht hier aan de rand van het platform, in de openlucht. Tien centimeter rechts van de douche houdt het platform op. Niet te veel shampoo in mijn ogen laten komen, bedenk ik me, want ik wil het zicht blijven behouden. Al is het maar op die verbaasd kijkende toeristen in de mokoro’s.


SRI LANKA
Wat maakte Azië bij mijn eerste bezoek een onbeschrijfelijke indruk. Dat doet het iedere keer, als je weer ergens in dit werelddeel landt en onmiddellijk ondergedompeld wordt in die totaal andere wereld: de kleuren, de geuren, de mensen, de drukte, de hitte, de rijke cultuur en de onvergetelijke landschappen. Maar Sri Lanka was nu eenmaal mijn eerste kennismaking met Azië en dat vergeet je niet snel. Ik vond het overweldigend. Wat was dit eiland groen, kilometers lang de palmenbossen, zoals we die later ook in Indonesië en Maleisië zouden zien. De eeuwenoude tempels van Anuradhapura en Polonnaruwa. De Sigiriya rots die loodrecht uit het vlakke landschap oprijst. De indrukwekkende stad Kandy, prachtig aan een meer gelegen. Het Thinamalwilla Jungle Camp, waar ’s nachts de olifanten langs kwamen trompetteren. “Gewoon rustig in je tent blijven liggen, ze doen niets”  had ik mijn geschrokken dochter gezegd. Maar behalve een beetje spannend vond ze het toch vooral heel eng. En zelf was ik er ook niet helemaal gerust op. Eerder die dag hadden we tijdens een wandeling in de buurt het omver getrapte huisje van een oude vrouw gezien. Als een olifant woedend wordt, is er geen houden meer aan.
En uiteindelijk kwamen we dan terecht in het zuiden, in de omgeving van Unawatuna, met zijn prachtige stranden. Dit voldeed helemaal aan ons beeld van een tropisch paradijs. Fietsen in de wijde omgeving, langs groene velden, de gaten in de weg proberen te omzeilen. Lachen om die man die wel erg boos met zijn geweer naar buiten kwam toen we net iets te lang zijn huisje stonden te bewonderen. Hard fietsen omdat je een dreigende tropische donderbui voor wilde zijn. Wandelen op het strand en dan ineens omringd zijn door duizenden monniken. Er was iets gaande, rituelen, maar wat wisten we niet. We waren de enige westerlingen, we voelden ons opgenomen in een geheime mysterieuze wereld, en mijn dochter, acht jaar oud, moet gedacht hebben in een sprookje te zijn beland, of spannender nog, in een speelfilm van Indiana Jones.
Met het treintje naar Galle, twintig kilometer verderop. Traag boemelde het krakende treintje door de groene velden, stopte bij dorpjes waar het een drukte van belang was. We keken onze ogen uit. Wandelen in het (Nederlandse) fort van Galle, de zee overal om je heen en de wind door je haren. Dit was in 1997 en ik was nog lang onder de indruk van deze reis, vooral van die mooie zuidkust.

Het is 26 december 2004. Er is bijna niemand te vinden die deze datum niet kent. Het is zoiets als 11 september 2001. En iedereen verbindt deze data aan een onvoorstelbare ramp. Het is Kerstochtend, we slapen uit. De TV staat op CNN en met een half oog laat ik de beelden over me heen komen. Een overstroming, lijkt het. Vast een reportage over een ramp van enige tijd geleden. Dan een kaart van Zuidoost Azië, waarvan bijna de complete kustlijn gearceerd is. Er staan getallen bij. En dan dringt de werkelijkheid heel langzaam tot mij door: dit is nu en dit is actueel. Half Azië is ondergelopen.
 
Beelden. Banda Aceh op Sumatra: alsof er een reuzenhand achteloos over heen gestreken is. Niets staat meer overeind. De toerist op zijn balkon in Phuket, die toevallig aan het filmen is en roept: A wave. En dan, beseffend dat dit niet zomaar een wave is en dat dit niet “leuk” meer is: o, my god, get inside.
En vooral zie ik beelden van Sri Lanka. Mijn god, denk ik, hoe is het mogelijk: een half continent. Hoe kan dit bestaan? Het strand bij Unawatuna, drie of vier keer enorme golven die alles onderdompelen. Je moet kansloos zijn geweest. Het strand van de monniken denk ik. Ik zie beelden van een trein die met duizend passagiers aan boord verzwolgen is door het water. De trein naar Galle, denk ik. Misschien wel hetzelfde treintje met dezelfde conducteur. Al die dorpen en mensen die we gepasseerd zijn. Weggevaagd.

Kao Lak in Thailand.
We zouden er gezeten hebben die ochtend van de 26e december 2004. Met Kerstmis de Andaman-eilanden, dat was het plan. En volgens ons reisschema stond Kao Lak voor 26 december gepland. Ongetwijfeld zouden we rond half tien, het fatale tijdstip, op het strand hebben gezeten. Het strand waar negenhonderd toeristen geen schijn van kans hadden. Ik besef dat wij ook kansloos zouden zijn geweest. Zijn wij aan de dood ontsnapt, omdat we op het laatste moment besloten om twee weken later te gaan? Heeft iedere schijnbaar onbelangrijke en kleine beslissing grote gevolgen? Of is het alleen maar tijd als het ook echt je tijd is?
Sterven in het paradijs, ik krijg er kippenvel van. Die hele Tweede Kerstdag ben ik behoorlijk van slag, en ik zal zeker niet de enige geweest zijn. Mijn reis van zeven jaar eerder krijgt een hele andere dimensie en ik beleef hem weer. Ik ben in gedachten bij al deze mensen en dit prachtige land Sri Lanka. En bij alle andere getroffen landen. Veerkrachtig als Aziaten zijn, zullen ze er wel weer bovenop komen, bedenk ik me. Een catastrofe slaat toe waar het dat wil. Het paradijs wordt daarbij niet overgeslagen. Ik raad iedereen aan het paradijs ook niet over te slaan. Want waar het ook precies moge liggen, in Sri Lanka komen ze er wel heel dicht bij.


 
ROBBEN, ROBBEN! YES, YES! NOOOOOO. Regelmatig gil ik het uit. Er is veel geroezemoes in de stampvolle kroeg maar mijn stem komt er met gemak boven uit. De Ieren, beleefd als ze zijn, kijken nog nèt niet misprijzend, maar een glimlach voor zoveel Nederlands enthousiasme kan er nu ook weer niet vanaf. Het is de avond van de finale WK voetbal. Robben is zojuist doorgebroken maar heeft het niet kunnen afmaken. We bevinden ons in een drukke pub in het centrum van het kleine provinciestadje Macroom, graafschap Cork, in Ierland.

Die zondag dwalen onze gedachten, terwijl we door het glooiende landschap van de streek Munster rijden, al regelmatig af naar the match. Aangekomen in Macroom, waar we zullen overnachten, hebben we dan ook meteen al enige research gedaan. Wat is een gezellige pub, en belangrijker nog, staat er een groot Tv-scherm? Pubs die aan dergelijke kwalificaties voldoen vind je in elke Ierse plaats binnen één minuut.
En zo namen we een half uur voor aanvang van de wedstrijd plaats aan hoge tafel met krukken, strategisch gesitueerd vlakbij het grote scherm. Eten besteld, drank besteld, en onze oranje Wuppie en de Nederlandse leeuw duidelijk zichtbaar op onze tafel neergezet. Men zal weten dat we Nederlanders zijn en dat er maar één gaat winnen vanavond. Collectieve gekte houdt niet op in Holland, die draag je met je mee, waarheen je ook reist, ook al ben je met twee Nederlanders ver in de minderheid. De pub stroomt vol. De Ieren maken zich op voor een gezellige avond, zoals altijd. Het maakt hen niet uit wie er wint, may the best win.

Onder de eerste helft krijgen we nauwelijks een hap van ons eten door onze kelen. Dan maar wegspoelen met wijn en bier. We gillen bij bijna ieder moment. De Ieren zijn rustiger en een enkeling knikt ons bemoedigend toe. Een enkel applaus voor een fraaie actie, aan beide zijden, dat wel. Maar gaandeweg de wedstrijd beginnen ze steeds vaker te lachen naar en om die gekke Hollanders.
In de verlenging zitten we inmiddels in een roes, hoewel de drank daar ook debet aan zou kunnen zijn. We voelen ons wel thuis in deze oergezellige ambiance en ons commentaar klinkt luid en duidelijk door de kroeg. Een letterlijke weergave van dit commentaar lijkt me niet gepast op deze plaats. We springen op, we schreeuwen en we gaan weer zitten, om even later weer op te springen.

Dan het fatale moment, vier minuten voor tijd. Het is zo’n moment waarop je eigenlijk niet weet of je eigen angst op het scherm wordt geprojecteerd of dat dit de ongelooflijk harde waarheid is. Wij ontwaken snel. De Ieren, die onpartijdig zijn, klappen luid en lang bij het Spaanse doelpunt. Niet omdat ze tegen Nederland zijn, maar omdat de game nu beslist is. Er is een kampioen en dat vinden ze een applaus waard. Het is als een mokerslag. Zelden hebben we ons zo alleen gevoeld tussen tientallen joelende Ieren, op een moment dat Nederland ten onder gaat. Het snijdt door onze ziel. Tranen springen onzichtbaar in onze ogen. Weg gezelligheid, weg feest, de realiteit kent geen genade.

We overwegen om onze Wuppie en de Leeuw meteen maar van onze tafel te halen. Maar dat valt misschien te veel op. Sportief blijven. We rekenen snel af, de Oranje gadgets verdwijnen soepel in onze tas. Dan, bij het verlaten van de kroeg, schudden Ieren ons de hand. Het vergoedt nauwelijks iets. De taxichauffeur, die we voor de zekerheid van te voren maar besteld hebben, is een jongeman van nauwelijks twintig  jaar oud. Hij scheurt in de stromende regen met 120 kilometer per uur over de bochtige smalle donkere weg naar ons guesthouse. Niet ongevaarlijk dit ritje, maar het deert ons niet. We zijn nog te ver weg. Ver weg van Holland, we verwerken de klap alleen……
Als we bij het guesthouse komen is het donker. Er is niemand. We brengen ons bier en onze wijn naar buiten en gaan aan een tafeltje zitten in de gestaag neervallende regen, die inmiddels in een fijne motregen is overgegaan. We hebben nog heel wat weg te slikken die avond…….
 
 
We nemen de vlucht van Adelaide naar Alice Springs, vroeg in de ochtend. Een korte vlucht van nog geen twee uur. Als we de vliegtuigtrap afdalen slaat de hitte ons tegemoet.
Alice Springs ligt in het hart van Australië, omringd door vele honderden kilometers woestijn in alle richtingen. Buiten de stad is er bijna niets. Heel soms een roadhouse of camping. Deze spaarzame roadhouses en de verspreid liggende veeboerderijen zijn plekken om bij te komen voor de vermoeide oververhitte automobilist, en ze zijn ook nodig om zaken zoals voedsel, drinken en benzine in te slaan. We vinden er een typische vrijbuitersfeer hangen: een beetje zoals in de westernfilms. Mannen met lang haar en baarden, grote hoeden en tattoeages, die je vriendelijk helpen aan wat je op dat moment nodig hebt.
Voldoende voedsel, drinken en benzine is hier van levensbelang. Het land is uitgestrekt, dor, leeg en verlaten, en vooral heet. Het is bijna onvoorstelbaar dat hier mensen kunnen en willen wonen. Dat geldt ook voor Alice Springs, een stadje van 27.000 inwoners, dat in de woestijn tussen het rode zand en de rotsen uitgestrooid lijkt te zijn. Stel je voor: je woont in Amsterdam en de eerstvolgende stad (je buren!) ligt in Portugal of Wit-Rusland. Toch is dit hier zo. Het land is hier onmetelijk leeg en ruig. Het doet onaards aan, je zou je op de maan kunnen wanen. Ik bedenk me wat mensen hier zoeken en waar ze van leven. Valt hier wel te leven? Binnen de stad Alice Springs zeker, je kunt het als een oase (van comfort en welvaart) beschouwen.
Voor een deel leeft men hier zeker van het toerisme, want Alice Springs is de uitvalbasis voor misschien wel de bekendste attractie van Australië. Uluru, de grote monoliet die machtig uit het dorre lege land oprijst en die zo prachtig verkleurt binnen een paar minuten, bij zonsopkomst en zonsondergang. Op een korte afstand, ongeveer dertig kilometer, van Uluru ligt Kata Tutja, die wonderlijke rotsverzameling met grillige vormen, en wat verderop, honderdvijftig kilometer noordwaarts, Kings Canyon, een schitterende kloof.

In de namiddag komen we in ons hotel aan en verkennen we de stad. Het gras is geel en verdord. De rivier de Todd staat volkomen droog. Het is zaterdagmiddag vier uur en het is doodstil op straat. De winkels zijn al gesloten en de hitte zindert door de stad. We eten lekker bij een Italiaan en doen wat boodschappen. Drank kun je hier niet zo maar overal krijgen, er zijn speciale drankwinkels. De drankwinkel in Alice Springs is alleen van vier uur ’s middags tot acht uur ‘s avonds geopend. Dit om te voorkomen dat de Aboriginals, die overal door de stad zwerven, al ’s morgens vroeg over drank kunnen beschikken en dus vroeg op de dag al dronken zijn.
Het alcoholisme onder de Aboriginals is hier een groot probleem. De Australiërs gaan met de auto naar de drankwinkel, stoppen voor een luik, doen hun autoraam open en bestellen dan. Als ze hebben gekregen wat ze willen, en ze hebben betaald, gaat het raampje razendsnel dicht en rijden ze weg. Wij zijn lopend. Wij beschikken hier niet over een auto. Niet nodig ook, zo groot is Alice Springs nu ook weer niet. Maar we worden door verontruste inwoners wel voor gek verklaard: lopend naar de drankwinkel, dat is vragen om moeilijkheden. Desondanks komen we met al onze aankopen in ons hotel aan.

De Aboriginals. Het verhaal zal bekend zijn.
Aboriginals leefden al tienduizenden jaren in Australië, toen ruim tweehonderd jaar geleden de Engelsen, destijds nooit te beroerd om wat extra land in te lijven, Australië in bezit namen. Voor Aboriginals is het land erg belangrijk. Veel plekken zijn heilig, het land is hun leven. Ze gebruiken wat ze nodig hebben, verspillen niets en leven in grote harmonie met dit land en met wat het voortbrengt. Zoals gezegd is veel van het land heilig voor Aboriginals: de dieren, de rotsen, waterplaatsen. Ze trokken door het land, verzamelden voedsel, en trokken weer verder. Ze bleven nergens lang, en hadden ook geen nederzettingen, geen bezittingen en al evenmin troffen de Europese indringers andere vormen van “ beschaving “ aan.
Dit leidde tot een groot misverstand en een historische fout: Aboriginals hadden geen land, ze claimden het ook niet en ze waren dus feitelijk barbaren, bijna dierlijk en zeker geen beschaafde mensen! Vandaag de dag weten we wel beter, maar deze gedachte leidde er rond 1800 toe dat de Engelsen meenden dat ze zich het land zonder meer konden toe-eigenen. Veel Aboriginals zijn uitgemoord en ze stierven aan ziektes die zij eerder niet kenden.
Aboriginals raakten hun traditionele leefwijze na 50.000 jaar kwijt en kwamen terecht in de steden, waar zij de arme onderklasse vormden en voor een deel nog steeds vormen. In steden als Alice Springs en Darwin zie je het resultaat van de teloorgang van de traditionele leefwijze van de Aboriginals. Zij trekken naar de steden waar zij meestal een armzalig en soms zwervend bestaan leiden. Zij kennen het begrip “werken (voor je levensonderhoud)“ niet, dat was immers ook nooit nodig: ze konden voorzien in hun bestaan door te leven van wat het land opbracht. Ze krijgen nu wel een uitkering, maar het begrip geld is hen al evenmin bekend. Ze weten niet wat ze er mee moeten doen, en kopen er maar drank voor. Ze kunnen vaak ook al niet richting geven aan hun bestaan en lijken een doelloos leven te leiden.
Pas de laatste jaren is er meer aandacht voor de Aboriginals en is er sprake van een geringe herwaardering. Ze hebben grote stukken land in het midden en noorden teruggekregen en er is aandacht voor hun cultuur, hun verhalen, hun muziek en kunst. Daarmee is het grote Aboriginals-probleem nog echter lang niet opgelost.

Hoewel landkaarten de indruk wekken dat Uluru en Kata Tutja vlakbij de stad Alice Springs liggen, is dit in werkelijkheid niet zo. Het vergt een rit van 475 kilometer om bij beide attracties te komen. Voor Australische begrippen liggen ze dus inderdaad zo ongeveer “naast de deur“.

Uluru is een toeristische attractie van formaat. Heb niet de illusie dat je er alleen bent. Vooral bij zonsondergang en zonsopkomst, als de rots in luttele minuten prachtig verkleurt, drommen zich hele hordes (vooral Aziatische) toeristen bij de rots samen. Toch is dit niet hinderlijk. Iedereen is tijdens die paar minuten doodstil en het is een vreemde ervaring hoe het zo stil kan zijn, terwijl er duizenden mensen om je heen staan. De ervaring is dan ook wonderlijk en heeft bijna iets mystieks. De rots zelf, die drie kilometer lang, twee kilometer breed en ruim driehonderd meter hoog is (wat een enorme monoliet!) is heilig voor de Aboriginals.
Het getuigt dan ook van weinig respect om die rots te beklimmen, maar toch gebeurt het. Boven de 38 graden en bij veel wind is de rots overigens voor beklimming afgesloten. Terecht, want het is niet geheel ongevaarlijk. Er zijn in de loop van de tijd tientallen toeristen omgekomen door uitdroging of omdat ze simpelweg naar beneden zijn gevallen.
We maken verschillende wandelingen aan de voet van de rots, en opvallend is dat het er veel groener is dan je zou denken. Het beeld van Uluru is dat van een rode rots in een rood dor en leeg landschap, maar het is dus aan de voet van die rots veel groener dan het lijkt. Dat geldt ook voor de prachtige Kings Canyon, die we een dag later bezoeken.

We slapen in Yulara, een tentenkamp dat op twintig kilometer van Uluru ligt. Dichterbij mag er niets staan of gebouwd worden, gelukkig maar.
Onze gids voor deze drie dagen Outback, Deborah, die oorspronkelijk uit Italië komt, maar haar hart heeft verpand aan de Outback, verdient onze bewondering en respect. Zij rijdt, organiseert, kookt, ze doet eigenlijk alles en komt maar aan een paar uur slapen per nacht toe. Een pittige vrouw, die er alles aan doet om het ons zo gerieflijk mogelijk te maken. Uiteraard koken we met haar mee en helpen we op te ruimen. De tenten zijn warm en ’s nachts pikkedonker.  Als iedereen al slaapt, zitten wij in het aardedonker nog voor onze tent met een borrel. We zien de heldere sterrenhemel boven ons. Het is stil en we genieten. Eigenlijk is het zonde om te gaan slapen, vinden we.
We staan steeds om vier uur ’s ochtends op. Dat moet ook wel in de Outback. Een wandeling maken tijdens de heetste uren van de dag is niet echt aan te raden. Overal staan waarschuwingen in verband met het bijzonder extreme klimaat dat hier heerst. De vele waarschuwingen voor uitdroging moeten niet licht opgevat worden:  “neem iedere tien minuten een paar slokken water, drink één tot drie flessen per uur en blijf er mee doorgaan”.
 Als je mond en keel dorstig en droog gaan aanvoelen, is het eigenlijk al te laat: uitdroging. Uitdroging moet niet onderschat worden, het is niet zo maar een droge keel. Als je het signaal van een droog aanvoelende mond negeert, is de kans groot dat je weldra flauw valt (dat kan zo maar van de ene op de andere seconde gebeuren) en je kunt er uiteindelijk (sneller dan je denkt) aan sterven.  Dat is heftige informatie vinden we, maar we nemen het zonder een spoor van twijfel voor waar aan. We besluiten dus maar trouw onze flessen steeds te vullen en te blijven drinken. Je doet het eigenlijk vanzelf. Ook onze speciaal aangeschafte hoeden met muskietennet bewijzen hun waarde. De vele vliegen hier blijven onvermoeibaar in hun pogingen om je oren, mond en neus binnen te dringen.

Het letterlijke hoogtepunt voor ons is een helikoptervlucht van een half uur over Uluru en Kata Tutja. Een geweldige ervaring, die we iedereen kunnen aanraden. Het is fantastisch om die enorme Uluru nu als een soort grote kiezelsteen onder je te zien doorglijden. Daarnaast de uitgestrekte rode vlakte, zo ver als het oog reikt, en Kata Tutja. We genieten enorm en als we weer geland zijn willen we eigenlijk meteen weer terug omhoog.

Op dag drie van deze Outback-ervaring staan we alweer om vier uur op. We wandelen door de Kings Canyon. De rust is overweldigend. We genieten bijzonder van deze rust, de bussen met toeristen komen pas na ons. Het is hier paradijselijk. Als de Tuin van Eden heeft bestaan, dan zou het haast hier geweest moeten zijn. We nemen de route over de grond. Het is ook mogelijk om boven-over langs de kloof te gaan. Daarvoor moet je eerst een bijzonder pittige klim maken. Deze klim staat heel fijntjes ook bekend als de heart-attack hill. Om half zeven zijn we met onze wandeling klaar. De thermometer wijst op dat moment al 34 graden aan.

Terug naar Alice Springs, weer vijfhonderd kilometer door het rode niets. Het is onbarmhartig warm. We stoppen geregeld en ook nu weer ervaar ik de roadstations als oases, waar men kan opknappen. Er staan picknicktafels en je kunt zelfs de barbecue gebruiken. We lunchen en rijden verder naar Alice Springs. Veel dieren zie je hier niet, en als je ze ziet dan liggen ze meestal dood langs de kant van de weg: dingo’s, kamelen, kangoeroes. Ik blijf me  maar verbazen over wat de mensen die hier nog wonen, en die hier een cattle station of roadhouse runnen, hier naar toetrekt. Hoe valt hier te wonen? Het moet een hard leven zijn, maar ook een van ongebondenheid, vrijheid en ruimte.

Om vier uur ’s middags zijn we terug in Alice Springs, terug in de “ beschaving”. We knappen ons op, en we eten daarna erg lekker in een restaurant in de stad. Kangoeroebiefstuk, ik kan het aanraden.  Drie dagen outback, het voelt als drie weken. ’s Avonds zitten we in de zwoele avond op ons terrasje.  We zijn beide stil, we hebben veel indrukken te verwerken.
 
 
 

“In Goa is alles heel basic” had de vriendelijke begeleidster, die ons van de luchthaven naar het hotel bracht, nog gezegd. Ik kreeg op dat moment al een onbestemd voorgevoel. Wilde zij zich bij voorbaat indekken? En waar tegen? Ik heb niets tegen basic. Je kunt en mag niet altijd luxe verwachten op reis. Niet nodig ook, vind ik. De mooiste onderkomens zijn vaak de eenvoudige houten of bamboe huisjes met een klein terrasje in een groene landelijke omgeving. Eenvoudig, maar puur, en vaak te prefereren boven een luxe suite op de twaalfde verdieping van een vier- of vijfsterren hotel in een grote drukke stad. Maar toen we de grauwe woonflat zagen, waar brommers op de galerij uit elkaar gehaald werden en overal vuil opgestapeld lag, veranderde mijn onbestemde voorgevoel in verbijstering. De bus stopte, maar ik zag behalve de armzalige flat geen hotel.
Was dít ons hotel? Met zwembad en ligbedden, zoals ons bij de boeking was beloofd? Weliswaar was ons verteld dat het geboekte hotel vol zat, maar we zouden een volkomen gelijkwaardig alternatief krijgen. We klommen in het naargeestige trappenhuis de trap op en kwamen op de galerij. De Indiër die met ons meeliep draaide een deur van het slot en zwaaide de deur open. Dan hebben we het helemaal gehad. We zijn moe na een vliegreis van tien uur, we zijn warm, vies, dorstig en dan dit…..

Het was een mooie aanbieding. Voor een spotprijs twee weken naar Goa, en dan ook nog met Kerstmis. We hadden dat jaar al twee verre reizen gedaan, en eigenlijk vonden we het te gek voor woorden om nog eens te gaan. Maar ja, Goa met zijn prachtige stranden, en van daaruit buurstaat Karnataka verkennen, dat was toch wel erg aanlokkelijk.

In de halfduistere kamer, waar we ons bevonden, stond slechts een kast, die bij iedere volgende aanraking ongetwijfeld uit elkaar zou vallen, en iets dat een bed zou moeten zijn. Eén vuil, gebarsten piepklein raampje in een hoekje, op ooghoogte, dat niet open kon. Electriciteitskabels die uit de muur hingen, één peertje bungelde ergens aan het plafond. Donker, en het stonk. Het matrasje (beddengoed was er niet) was donkerbruin, onder het vocht, schimmel, kringen, vlekken. Het ongedierte konden we in de duisternis nog niet ontwaren, maar het zou ons ongetwijfeld in no time bespringen. Ons protest was hevig. Dit was niet het beloofde gelijkwaardige alternatief. Een ander hotel, een echt hotel wilden wij, of we gingen rechtsomkeert naar huis. En we zouden het werkelijk gedaan hebben.

De eigenaar snapte er helemaal niets van. Dit was toch een hotel, hij verhuurde kamers, er stond een bed en je kon er slapen. Wat kon hier nu mis mee zijn? Uiteindelijk belandden we na lang onderhandelen, wachten, telefoneren en weer wachten,  in een ander hotel. Een paradijs vonden we het. Een aardige kamer op de eerste etage, een zwembad, en het zag er allemaal heel behoorlijk uit.
 
De volgende ochtend maakten we ons op voor ons eerste dagje strand. Ik wilde al vertrekken, maar omdat Lione nog niet alle spullen bij elkaar had, zei ze mij tien minuten te wachten. Dat bleek achteraf ons ‘geluk’.  Want nog geen minuut later hoorden we geschreeuw verderop de galerij.
 
In het Nederlands. “Help, wat is dit voor een land, dit is een gevaarlijke gek, wie belt de politie, doe iets, help”.  Dit klonk serieus en behoorlijk bedreigend. We renden de galerij op en we herkenden onmiddellijk het Nederlandse meisje dat de dag ervoor samen met ons was aangekomen. Haar vriend lag bovenop een Indiase man, en had hem stevig in een wurggreep. Zijn aderen liepen paars aan, zoveel kracht zette hij. Het meisje was compleet over haar toeren, en terecht zoals al snel bleek.
 
Lione bleef koelbloedig en zei tegen de jongen: ”Stop, laat hem los, je vermoordt hem nog”. De jongen liet uiteindelijk los, waarna de Indiër hard wegrende en in zijn vlucht nog snel een zware bos sleutels hard tegen mijn hoofd gooide. Het bleek onze overbuurman, die daar een koopappartement had. Toen de jongen en het meisje, net zoals wij van plan waren, hun kamer uitliepen om naar het strand te gaan, was de Indiër zijn appartement uitgerend en had het meisje met één harde kaakslag geveld.
 
Haar kaak was lelijk ontzet en zij zou een week niet of nauwelijks kunnen eten. De aanvaller werd uiteindelijk door de politie vastgezet, en ons werd verzekerd dat deze psychopaat (want dat bleek het te zijn) de komende twee weken niet meer op vrije voeten zou komen. De reden voor zijn daad was niet echt duidelijk, maar vermoedelijk was het ‘wraak’ omdat hij vond dat vrouwen niet in een bikini horen te liggen. Vanaf zijn balkon had hij de vorige middag al voortdurend naar de zonnende dames zitten loeren. Een soort fundamentalist dus. Het was een ‘artiest’ zo werd ons verteld, van rijke afkomst, uit Mumbai, die hier een tweede huis had.  Maar dan wel een artiest die aardig van het pad was geraakt, bedacht ik me.
 
Het was het gesprek van de dag in het hotel, maar in de dagen daarna leek het voorval al weer langzaamaan vergeten te worden. Op onze vierde dag kwamen wij ’s middags terug in het hotel en troffen andere Nederlandse gasten. Verontwaardigd meldden zij ons meteen, dat de Indiër weer in zijn appartement was en vanaf zijn balkon naar de gasten beneden bij het zwembad aan het loeren was. Wij eisten van het hotelmanagement onmiddellijk opheldering, deze man zou toch voorlopig nog vast blijven zitten? We voelden ons niet veilig. Aanvankelijk leek men ons niet te willen begrijpen, maar uiteindelijk stemde men er toch maar in toe de politie te vragen naar het hotel te komen.
 
In de tussentijd werd de man door het personeel op niet zachtzinnige wijze van zijn kamer gehaald. Uiteindelijk verscheen de politiechef op het toneel. Het prototype van gezag, met snor en zonnebril. Schijnbaar meelevend en begrijpend luisterde hij naar ons verhaal. Lione deed het woord. Zij gaf aan zich niet veilig te voelen, de Indiër woonde immers tegenover ons en hij was echt gestoord, vertelde ze.  Hij had ook al eens aan onze deurklink staan rammelen. Ze eindigde haar relaas met de zin: “He scares me”. Ofwel: “Ik vind het een angstige situatie”. De man had ons persoonlijk nog niets aangedaan. De politieman begreep dit als “hij heeft me bedreigd, bang gemaakt”.
 
Vervolgens werd de man ten tonele gevoerd. Directe confrontatie, in India pakt men de zaken kordaat aan. De politiechef gaf hem te verstaan zijn excuses tegenover Lione te maken, voor wat hij haar zou hebben aangedaan! Als een schooljongen die zijn standje in ontvangst ging nemen, hield de politieman hem vast en bleef maar herhalen: “Say sorry to this nice lady”. Het leek een slecht geacteerd toneelstukje en dat was het misschien ook wel. De man begreep het niet en bleef verward voor zich uitkijken. Ongetwijfeld, zo dachten wij, zou zijn woede zich nu op ons richten. Hij zou ons zien als de aanstichters van dit hele gebeuren.
 
Dit was niet erg tactisch van de politiechef. Wij spraken dit ook uit en wilden een andere kamer èn bescherming. En die kregen we. Bijna twee weken lang zat onze politieman op zijn stoeltje vóór ons appartement, overdag en ’s nachts. Als we naar buiten kwamen, stond hij op, zei ons vriendelijk gedag en wenste ons een fijne dag.

 
Het paradijs was uiteindelijk echt het paradijs en we hebben van ons verblijf in Goa genoten. We hebben er veel mooie dingen gezien en genoten iedere dag weer van ‘incredible India’. Maar het meest ‘incredible’ vonden wij toch wel onze geflipte buurman en het optreden van de politiechef. India, als je de cultuurshock te boven bent, kun je je er iedere dag glimlachend verwonderen. Incredible, inderdaad.  

 
 
In het uiterste zuidwesten van Myanmar ligt de staat Rakhine, ingeklemd tussen ontoegankelijke bergen in het noorden en een smalle kuststrook in het zuiden. Een ruige en vrij afgesloten staat. De Rakhine zijn een eigenzinnig volk en voelen zich niet zo Birmees. Omgekeerd kijken ook de Birmezen niet altijd positief tegen dit volk aan. Het zijn van oorsprong Tibetanen, maar er wonen tegenwoordig ook veel moslims uit buurland Bangla Desh, dat aan Rakhine grenst.

Het kost wat moeite om hier te komen. Het kan eigenlijk alleen per vliegtuig. We vliegen eerst naar Ngapali Beach, waar we in een schitterend resort aan het strand vijf ontspannen dagen hebben. Het is hier het ultieme, maar blijkbaar onontdekte paradijs, want we zien er nauwelijks gasten. Dat verbaast ons, want het is hier onvoorstelbaar mooi, rustig en relaxed.

Vanaf onze ligbedden op het strand kijken we naar de stroom mensen, die langs de waterlijn langslopen. Vrouwen met fruitmanden of met enorme takkenbossen hout op hun hoofd. Ze moeten kilometers lopen om vandaag weer vuur te hebben voor het koken van de maaltijd. Een ongelooflijk zwaar karwei dat ze ongetwijfeld iedere dag moeten klaren. In de omgeving is het heerlijk wandelen door de stille landerige vissersdorpjes.

Een voor Myanmar typerend beeld zien we als we op vliegveld van Thandwe op onze vlucht naar Sittwe wachten. Een haveloos gebouwtje, één korte landingsbaan. Op het gras vóór het gebouwtje voetballen de ongeveer tien werknemers van de luchthaven. De security officer doet enthousiast mee. Veel personeel, weinig te doen. Een paar vluchten op een dag, een paar passagiers per vlucht.

We moeten een behoorlijke tijd wachten en drinken koffie aan een tafeltje dat voor het luchthavengebouwtje voor ons is neergezet. Als er een vliegtuig landt, is iedereen in rep en roer. Posities worden snel ingenomen, de acht passagiers die aankomen worden geholpen en dan wordt er na tien minuten gewoon weer verder gevoetbald. Het spel is slechts even hinderlijk onderbroken…..

We vliegen naar Sittwe, niet ver van de grens met Bangla Desh. Sittwe is een vrij grote stad, maar dat zie je er niet vanaf. In de hoofdstraat is het een drukte van belang. Hier is het stadsbeeld nog authentiek: geen auto’s, wel de tuktuks, fietsen met bakjes voor het vervoer van spullen en mensen, en een traditioneel geklede bevolking.

We logeren in één van de weinige hotels van de stad. Niet bepaald modern en comfortabel, maar we hebben weinig keuze. We wandelen ’s avonds door de hoofdstraat. De sfeer is levendig. Mensen op straat reageren, afgezien van een enkele bedelaar, niet op ons. Hier komen geen toeristen, en de mensen hier lijken ze ook niet echt interessant te vinden. Sittwe ligt geïsoleerd en jarenlang was de stad zo ongeveer van de buitenwereld afgesneden. Er heerst een dorpse sfeer van lang vervlogen tijden. We wanen ons in de jaren dertig van de vorige eeuw.

Het is zes uur varen met de boot naar Mrauk U, verder het binnenland in. De boot is de enige manier om er te komen. Na vertrek van de bedrijvige kade in Sittwe varen we de Kaladanrivier op, die hier vele kilometers breed is. Na enige tijd versmalt de rivier zich tot ruim één kilometer breed.

We zitten op een oude privéboot en net als we ons afvragen of deze gammele schuit het wel gaat halen, zien we een andere boot stil liggen op de rivier. Drie Amerikaanse toeristen stappen over op onze boot, hun boot heeft het opgegeven. “Thanks for the ride, pal” zegt de oudste. “I’m Jerry by the way”. Nooit gedacht dat we nog eens Amerikanen zouden redden. Met dollars kun je veel, maar je komt er niet ver mee, als je boot midden op de rivier stil valt en er niet toevallig een andere boot met Nederlanders langskomt. Graag gedaan, Jerry.

Het is een genot om door dit afgelegen land te varen. Slaperige dorpjes, waar kinderen van de steile oevers naar beneden buitelen om naar ons te zwaaien, en waar verder niet veel gebeurt. Enorme bamboevlotten op de rivier, soms tientallen meters lang, waar men op woont en leeft.
Er staat een fors windje en voor het eerst in dit land hebben we het koud. Er is behoorlijk wat golfslag, maar als we een zijtak van de rivier opvaren, wordt het rustiger en het landschap nog idyllischer. Er wordt op de oever onophoudelijk naar ons gezwaaid. Het landschap is groen. Aan de horizon doemen de ruige bergen van de Chinstaat op.

Mrauk U was vroeger de hoofdstad van Rakhine, een belangrijke stad. Maar die tijden zijn allang voorbij en tegenwoordig is het een wat vervallen en arm ogend dorp. Maar wel met veel bezienswaardige tempelruïnes, die verspreid in en rond het dorp overal op groene heuvels staan. Vergane glorie op zijn best. Het staat er zoals het staat, aftakelend, een steeds meer vervagende herinnering aan de gouden tijden van weleer.

Later in de middag is ons doel het verderop gelegen dorpje Vesali. Er zou hier een festival zijn, hebben we gehoord, en dat wekt onze nieuwsgierigheid. Met een jeep hobbelen we over iets wat een weg zou moeten zijn. Onze ingewanden en ruggen krijgen het stevig te verduren en over de acht kilometer doen we ruim drie kwartier.

Bij het “festival” aangekomen zien we een klein tempeltje waar een monnik onophoudelijk en in rap tempo Boeddhistische teksten door een microfoon heen jaagt, gadegeslagen door een groepje mannen dat wel een soort bingo lijkt te spelen. Onze chauffeur zegt: “Niet goed. Verderop: lots of people”.
En inderdaad, een paar kilometer verderop is het een drukte van belang. Vastlopend verkeer. Er is een groot festivalterrein met vele eetkraampjes, een worstelwedstrijd, een volleybalwedstrijd en vooral: veel locals.

Het is zien en gezien worden, want we zijn alweer de enige buitenlanders hier. De middag vordert en de rook, het stof, de dampen, de geuren, de hitte en de ondergaande zon creëren een bijzondere, bijna onwerkelijke magische sfeer boven het hectische festivalterrein. We voelen ons verder weg van het gebaande pad, en van huis, dan ooit.

Sharm el Sheikh. Het klinkt als de naam van een onbeduidende nederzetting, verborgen in een uithoek van een droge en hete woestijn. En dat was het ook, tot zo’n twintig jaar geleden. Wie op het idee komt om op zo’n plek een badplaats van formaat te gaan ontwikkelen, ik weet het niet, het zullen er wel meerdere geweest zijn. Een simpel maar gouden idee: zon, warmte, woestijn, een waanzinnig mooie onderwaterwereld. De ingrediënten voor een toeristische bestemming van formaat liggen hier voor het oprapen en die hotspot gaan we dan ook creëren. Zorg voor het geld, hotels, casino’s, disco’s, vergeet Mc. Donalds, Starbucks en het Hard Rock Café niet, en het komt allemaal goed. Zelfs hier in de woestijn. Het succes is inmiddels bekend: Sharm is één van de drukst bezochte zonbestemmingen voor Europese vakantiegangers.

Het mag duidelijk zijn dat aan stadsplanning, of op zijn minst de ontwikkeling van een visie hierop, niet werd gedaan. Time is money, dus werd er, zoals dat vaker gebeurt, gestampt: hotels, resorts en winkels verrezen in recordtempo op deze zandvlakte. En toch is Sharm, dat zich uitstrekt van Naama Bay, vlak bij het vliegveld, tot Old Sharm, zo’n tien kilometer meer westwaarts, niet eens zo’n onaardige stad. Maar wel een stad zonder ziel, vinden we. Zonder kleur. Of het moeten de kleuren van de woestijn zijn. Geel, en bruin. Niemand die zal malen om een stad zonder ziel. Sharm heeft zon, zee, avontuur om de hoek (Sinai) en lekker eten en drinken in de aanbieding. Volop zelfs. En daarvoor kom je naar Sharm. Niet zo zeer voor de couleur locale.

Die is er, ondanks deze gecreëerde stad, wel degelijk. Want hoe modern en op de Europeaan gericht Sharm ook is: het is en blijft Egypte. Het is geen Europa. En daar vergisten wij ons toch wel in.

Enkele dagen voor Kerstmis. Met de kaarsjes aan en omringd door de geuren van een compleet dennenbos blader ik tevreden door een foldertje, dat zojuist in de bus is gevallen. Mijn oog valt op een aanbieding Egypte. Weekje Sharm el Sheikh voor een spotprijsje. Wel snel vertrekken graag. En omdat wij, als het om reizen gaat, snel kunnen schakelen zitten we op Nieuwsjaarsmorgen aan de Rode Zee.

Op onze laatste dag kuieren we rond in het moderne centrum van Sharm. Veel hebben we hier eigenlijk niet meer te zoeken, vinden we. Het is ons meer te doen om de wandeling zelf. We bedenken dat we voor één persoon aan het thuisfront nog geen souvenir hebben. In die dagen deden wij daar nog aan: altijd een cadeautje meenemen uit het land waar we zojuist vandaan kwamen, voor iedereen. Inmiddels liggen diverse huizen tot aan de zolder toe volgepropt met snuisterijen uit alle windstreken en kunnen wij zelf ons huis moeiteloos transformeren in een derde wereldwinkel. De gewoonte hebben wij afgeschaft, met ieders instemming.

Er moest nog een fles parfum gekocht worden. Geen probleem in Sharm. Een winkel was snel gevonden. Door de etalage keken wij wat deze nering in de aanbieding had. Ons oog viel op een fles parfum, merk A. Dat moest het worden. Snel naar binnen, vragen wat het kost, inpakken, afrekenen en wegwezen.

Verkeerd gedacht.
 
Natuurlijk kennen we van eerdere reizen de gebruiken. Op de markt koop je iets ‘snel’, over twee tomaten en een paprika hoef je niet lang na te denken. Maar een luxe artikel, in een echte shop, dat is geen impulsaankoop, daar dient over nagedacht te worden. Gewikt en gewogen. Tijd nemen om elkaar te leren kennen. Tot elkaar komen, zeker op het prijstechnisch vlak. Er hoort een heel ritueel bij.

Maar vandaag zijn we koppig, halsstarrig. Het moet snel, op zijn Europees, geen zin in poppenkast vandaag.
“Goedemiddag. We willen graag díe fles parfum, ja daar. Die willen we. Wat kost het?”
“Ah, ook goedemiddag. Welkom. Moge Allah jullie zegenen. Waar komen jullie vandaan en hoe heten jullie? Ik ben Ahmed. Take a seat. De thee is bijna klaar.”
“Nee, we willen dat flesje daar. Wat kost het?”
“Ah, die fles, nee ik heb iets veel beters voor jullie. Ik zal Mehmet vragen het beste van het beste voor jullie op te zoeken. Mehmet!!!”

We besluiten stevig in onze rol te blijven. Standvastigheid. Daar gaat het nu om. We willen snel zaken doen. Weifelen is nu funest.
“ U kunt me toch wel zeggen wat dit moet kosten? Dat is alles wat ik vraag.”
“Dat daar, dat is niets voor jullie. Jullie verdienen méér. Ik zie het. Bij de beautiful eyes of Cleopatra, yes lady!, hoort ook de magic sense of Cleopatra. Of tenminste die van Nefertite. Waar u ook wel wat van weg heeft trouwens.”
“Noem me de prijs. Ik wil het er voor hebben. Geen tijd nu, we hebben haast”

De verkoper blijft onverstoorbaar. Haast, het woord kent hij niet en hij heeft het zeker niet gehoord uit onze mond.
“Relax. Look I have nice mint tea. Ik kan ook andere thee maken. Waar blijft Mehmet nou? Het is ook altijd wat met die dekselse jongen. We moeten elkaar beter leren kennen. Hebben jullie kinderen?”

Ja, antwoorden we, maar daar gaat het even niet om. Of eigenlijk wel. Dat flesje parfum. Present for daughter. We kunnen niet meer terug. Fout begonnen, dit komt niet meer goed. We moeten ook maar fout eindigen. Na nog eens drie pogingen van onze kant (“We willen dat daar”), en een veelvoud daarvan aan flesjes die op ons leeg gespoten worden, besluiten we ons vege lijf te redden. We vertrekken. Misschien komen we nog wel eens terug, zeggen we, meer uit beleefdheid. De verkoper kijkt ons nu verbijsterd en niet-begrepen aan.
Maar dan herpakt hij zich. ” Doe dat. Dan zal ik zorgen dat de thee klaar staat”.

De kloof tussen twee culturen zal niet worden gedicht, vermoeden wij zo. Althans, vandaag niet meer.

Na een lange maar niet onplezierige rit rijden we Cahuita binnen. Een creools kustdorpje aan de Caribische Zee in het oosten van Costa Rica, dat zijn aantrekkingskracht dankt aan het nabij gelegen nationale park Cahuita. Een park met een aantal stranden en laaglandgebieden. Bezoekers komen hier om te surfen, duiken en snorkelen. Meer dan dertig soorten koraal, lees ik in mijn reisgidsje, en op het land leven miereneters, neusberen, wasberen, luiaards, brulapen en kapucijnapen. Dat belooft wat.
Cahuita zelf kun je gerust een uitermate relaxte plaats noemen. Op het slome af bijna, maar daar is het klamme, warme weer met een ongekend hoge vochtigheidsgraad ongetwijfeld debet aan. Hier gaat alles als vanzelf traag. Zelfs de stromen zweet die zich na aankomst in het dorp onmiddellijk een weg over je lichaam heen banen.
We wandelen door dit slaperige plaatsje. Gekleurde huisjes, waar weinig leven te bespeuren valt. De mensen in dit dorp stammen bijna allemaal af van arbeiders, die uit Jamaica hier naar toe werden gehaald om te helpen bij de aanleg van de spoorlijn San Jose-Limon. Een belangrijke lijn want de bananen voor de export moesten hierlangs om in de haven van Limon, iets noordelijker van Cahuita, terecht te komen. Het was lange tijd de enige spoorlijn van Costa Rica. Tegenwoordig wordt hij niet meer gebruikt. Er zijn veel aardverschuivingen langs de lijn en het is onbegonnen werk om de spoorlijn te onderhouden. De Jamaicanen zijn maar blijven hangen in de streek rond Cahuita.
Als de middag vordert en het dorp ontwaakt zien we veel Bob Marleys rondlopen. Overal klinkt reggaemuziek. Het complete oeuvre van Bob komt voorbij als we zwetend en puffend door het plaatsje wandelen, van Get up stand up via Stir it up naar One love. Als we bij Could you be loved zijn aangekomen, besluiten we om ons zwembad maar weer op te zoeken.
Die avond eten we bij het plaatselijke Cajun restaurant. Wij kennen de Cajun als een bevolkingsgroep rond New Orleans en van Cajun muziek. Maar je kunt dus ook Cajun eten blijkbaar. Het blijkt verrassend lekker te zijn. Na een prima avond wandelen we in het duister door het dorp, terug naar onze lodge. Het is inmiddels begonnen te regenen. Even verderop zien we een aantal gasten uit onze lodge bij een boom. Ze schijnen met een zaklantaarn in de boom en als we dichterbij komen zien we een kletsnatte luiaard hangen. Hij lijkt volkomen uitgeput en gedesoriënteerd, en schrikt van de flitsen van de camera’s van de gasten. Hier had hij, bij zijn wekelijkse gang naar beneden om zich van zijn ontlasting te kunnen ontdoen, niet op gerekend.
Vanwege de regen, die nu is overgegaan is een stortregen, kunnen we niets anders dan in ons huisje zitten. We hebben eerst nog hoop dat het snel droog zal worden, zodat we nog even buiten in de hangmat kunnen. Maar het blijkt ijdele hoop. Eigenlijk gaat het alleen maar harder regenen. Het is een complete douche, een massieve muur van hemelvocht, waar we door ons raam tegen aan kijken. Zelden heb ik het zo hard, en zo langdurig hard ook nog, zien regenen. Horen regenen vooral.
Dan valt de stroom uit, en dat blijft zo. Het is volkomen duister en we besluiten om maar in ons bed te gaan liggen. We liggen volkomen gedesoriënteerd in het pikkedonker en luisteren naar het onophoudelijke gebulder van de waterval buiten. Er valt van alles op ons golfplatendak: vruchten, palmtakken, harde klappen, het zou ook nog wat anders kunnen zijn. Het maakt het angstaanjagend. In het donker, zeker als je je niet kunt oriënteren, komt het onheilspellend over. Houdt ons dak het wel, en blijft het huisje wel op zijn plek staan?
Onze zaklamp heeft het ook begeven. De wandeling in het duister van de Cajun naar onze lodge was maar een kwartier, maar voldoende voor de batterijen om leeg te raken. Geen hand voor ogen kunnen we zien. Het is buiten inmiddels een waar pandemonium. We kunnen alle geluiden niet meer thuis brengen. We voelen ons ontregeld. Ik wandel met een aansteker mee als Lione gebruik moet maken van het toilet en licht bij. Maar veel helpt het niet, zo’n aanstekervuurtje. En dat er bijgelicht moet worden op tropische toiletten weten we nog wel van een eerdere reis, waarbij Lione – met haar handen steunend op de toiletbril – een vuistdikke spin vast greep. Tot verbazing en vooral grote schrik van beide slachtoffers overigens. Maar hier gaat het goed. Lijkt het. In het duister geldt: “wat ik niet zie, is er ook niet”.
Na een onrustige vrijwel slapeloze nacht staan we de volgende ochtend maar vroeg op. Het druppelt nog steeds. We besluiten toch maar een wandeling in het Nationale Park te gaan maken. Het park is op zich niet zo spectaculair, maar de wandeling is erg prettig. We lopen via het dorp weer terug, dit keer via Exodus en I shot the sheriff, eten wat onderweg en strijken dan bij ons zwembad neer. Een uur later begint het al weer te regenen. De rest van de middag zitten we lui en loom te genieten met een glaasje Rum op onze veranda. Onder het afdakje staren we de regen in.
Achteraf lees ik dat in de maand juli aan de Caribische oostkust van Costa Rica 407 mm regen valt. We weten het zeker: die 407 mm is in die ene nacht gevallen. Ik besef ineens dat het vandaag 27 juli is. Lione’s verjaardag. Ook Lione had het zich niet gerealiseerd. Tegen de avond besluiten we om met een aantal mensen te gaan barbecueën. Tijdens de barbecue speelt een bandje typisch Caribische muziek. Het eten smaakt voortreffelijk en er wordt uitbundig gedanst. Niet in de laatste plaats door de jarige zelf.
Geen miereneters, brulapen of kapucijnaapjes gezien hier. Laat staan koraal. Wel veel water. Een kletsnatte verjaardag in de tropen. Wat mij betreft mag het ieder jaar. En dat voor nog heel veel jaren. Felicidades op 27 juli, het lijkt mij wel wat. De regen nemen we op de koop toe.
 
We zijn op weg naar het einde van Europa. Nog even en dan zullen we het ervaren. In deze roerige tijden (op het moment van schrijven is het december 2011) zijn dat twee beladen openingszinnen, die de lezer zeker op het verkeerde spoor zullen zetten. Er zullen weinig mensen zijn, die echt het einde van Europa willen. Maar ik had mijn zinnen er vorig jaar zomer wel op gezet. Ik kreeg het, en ik moet zeggen: ik kan het iedereen aanraden. Het einde van Europa is er al miljoenen jaren en het zal er voorlopig nog wel even zijn. Het heeft een naam: St. Finians Bay.
Het plan is een roadtrip door Ierland. Ierland, ik weet er weinig van. Met de roadmap voor mij opengevouwen bestudeer ik routes die de moeite waard zouden kunnen zijn. En dan valt mijn oog op een uitstekende punt in de grillige kustlijn, de meest westelijke plek van het graafschap Kerry. Het meest westelijk van West-Europa . Het ligt van de doorgaande route af, er staan geen wegen getekend. Er staat wel een naam bij: St. Finians Bay. Het moet te bereiken zijn, schat ik in, en voor mij staat het vast: hier wil ik heen.
Een week later rijden we op de Ring of Kerry. Even voorbij Waterville moeten we er af om het laatste stukje Ierland te voltooien. Het regent al twee dagen onophoudelijk. Als we, omhoog rijdend over de bochtige weg, het hoogste punt hebben bereikt, stoppen we voor de zoveelste keer om van het uitzicht te genieten. Maar het regent hard en we zijn van eerdere stops al doornat geworden, zodat we snel weer in de auto zijn. We zullen afdalen naar Waterville, een toepasselijke naam, om ergens wat te drinken en wat op te drogen.
Waterville, waar alleen de huizen kleur geven aan het grijswitte doordrenkte landschap. Wolken jagen en laten hun inhoud genadeloos los, zwarte, grijze en witte flarden vocht hangen boven het stadje. Charlie Chaplin kwam hier graag om zijn vakanties door te brengen. Samen met zijn vriend Walt Disney wandelde hij langs het strand, hetzelfde strand waar wij nu snel langslopen om in het kleine centrum te komen. Daar staat zijn standbeeld: de kleine man zoals wij hem kennen, onverstoorbaar in de regen. De regen zou hem niet gedeerd hebben. Dit was zijn plek, weer of geen weer.
Na Waterville rijden we richting Ballinskelligs, het laatste dorpje op het schiereiland. Ballinskelligs, het zou de naam van een dorp in Tolkien’s The hobbit kunnen zijn, maar als we er - na een bochtige rit over een erg smal weggetje - zouden moeten zijn, zien we geen Hobbitdorp. Sterker nog: we zien helemaal geen dorp. Wel een kruispunt, en hier zouden we rechtsaf over een smal steil weggetje naar boven moeten. We rijden nog maar eens terug om te vragen waar Ballinskelligs ligt en of we bij dat kruispunt echt rechtsaf moeten. Na een paar kilometer zien we een pub, waar we naar binnen gaan.
Zo leeg als de dorpen hier zijn, zo vol zijn de pubs. Het is duidelijk: thuis hebben Ieren niet veel te zoeken. De kroeg is hun huis. Hier verandert de stugge en norse Ier in een gezellig sociaal en praatgraag wezen. Als er één Europees volk is dat het zwaar heeft gehad zijn het de Ieren wel. Eeuwenlang geknecht en uitgebuit door de Engelsen die hier de grond en de macht hadden. De Ierse keuterboertjes ploeterden voor hen en ze leden honger. En niet zo maar honger. Honger heeft meer dan eens bijna het einde van het land en dit volk betekend. Ierland was bijna leeggelopen, maar wonder boven wonder hield het land stand. De onverzettelijkheid en de trots van de Ieren won het altijd weer. Heeft de Ier buiten op straat een harde schil van geslotenheid en onverzettelijkheid, binnen gaan de harde maskers, onder invloed van de geleidelijke maar zekere werking van alcohol, af.
Stampvol is de pub waar we binnen gaan. Natuurlijk vallen wij op, wij zijn niet van hier. Maar wij zijn OK, allright lad, klinkt het, en: “Holland is good”. Gelukkig maar. Met het oog op de finale WK voetbal de volgende dag, wenst een man ons sterkte toe. In zijn ogen zie ik heel even melancholie, een droeve blik. De Ierse ziel. Hij wenst ons nogmaals sterkte, alsof hij zeggen wil: wij kleine naties laten ons er niet onder krijgen. Wij moeten vechten. Deze Ieren doen dat al eeuwen. Hij geeft me een ferme klap op de schouder. “You’re a good lad”. Heel even zie ik in zijn blik behalve melancholie ook onverzettelijkheid. De onverzettelijkheid van de Ieren, die verklaart waarom deze westelijke voorpost van Europa, dit ruige en ongepolijste land, er nog steeds is.
Na Ballinskelligs rijden we over de laatste heuvel heen en dan ligt St. Finians Bay vóór ons. Hier gaat het niet verder. Hier houdt Europa op.
Het is inmiddels half elf ’s avonds. We staan op het strand met de blik naar de oceaan gericht. De oceaan die de depressies produceert die dit punt hoe dan ook altijd als eerste raken. Hier komen ze gegarandeerd langs, met hoge snelheid en met weinig pauze. Woest rollen de golven het met rotsblokken bezaaide strand op. De zwarte wolken raken hier bijna de grond. De groene heuvels lopen door tot aan de zee. Hier heerst een oerrust. Het is opgehouden met regenen. Dan komt er, het is nog nèt licht, een streepje zon valk boven de horizon door. Het einde van Europa licht nog heel even op.
Het einde van Europa, je kunt het ook het begin van Europa noemen. Het eerste stukje continent als je vanuit Amerika zou komen. Een woeste prachtige voorbode van een afwisselend en roerig continent. Het einde van Europa, we hoeven het niet te vrezen. Het is er al lang en het is schitterend. Bevrijdend, verfrissend en louterend. In het donker blijven we nog even staan. Een nieuwe regenbui is losgebarsten maar daar zijn we ons al niet meer van bewust. Heel even nog, dit moment, deze plek….