De wereld op de foto

                         Reizen van Lione en Rene Kolsteren

                                       

                                       

 

 

 

 

 

 

 

 Voor foto's van deze reis:    renelione.magix.net
Voor algemene informatie en praktische tips: 
 
klik hier

                                       

                                                                                                                                                 
MYANMAR

 

INLEIDING

Myanmar mag je gerust een bijzondere bestemming noemen. Het land is vanwege de militaire dictatuur lang afgesloten geweest van de buitenwereld. Niet zo lang geleden kwam je het land niet eens in. De wereld wilde niets van Myanmar weten en Myanmar wist weinig van de wereld. Door tientallen jaren van dictatuur, en daardoor isolatie, heeft het land zijn oorspronkelijke karakter nog weten te bewaren.
Voorzichtige politieke hervormingen zullen het land hopelijk naar meer vrijheid en welvaart leiden. Waarschijnlijk zal het land ook snel van karakter veranderen en moderniseren. Dat alleen al is een reden om nu te gaan. Want behalve authentiek is het land ook exotisch en mysterieus. Maar er zijn meer goede redenen om dit bijzondere land te bezoeken. De schoonheid en puurheid van dit land. De vriendelijkheid van de mensen en hun behoefte om niet vergeten te worden, om in contact te komen met bezoekers. Om te horen hoe de wereld er buiten Myanmar uitziet.
Myanmar is uniek. Wat je in Myanmar aantreft, zul je in geen enkel ander (Aziatisch) land meer aantreffen. De sfeer is ontspannen, de mensen (ondanks hun armoede) vriendelijk, beleefd en zachtaardig. Buiten de steden domineren karren, voortgetrokken door zeboes en waterbuffels het beeld, bewerken mensen hun land op een manier zoals dit hier honderd jaar geleden gebeurde, heerst de rust en gemoedelijkheid van het fraaie platteland, en tref je een kleurrijk straatbeeld aan in dorpen en steden, waarbij je voortdurend je ogen uitkijkt. Vrouwen en mannen in lange wikkelrokken, de gezichten ingesmeerd met thanaka, een soort pasta die in strepen en figuren op het gezicht wordt aangebracht. En overal die opgestoken hand, die vriendelijke lach.
Zo veel redenen om te gaan. Het idyllische Inlemeer, waar de mensen op het water wonen en werken, de kleurrijke bergvolkeren rondom Kalaw, het mysterieuze en overweldigende Bagan met zijn honderden tempels en pagodes. Myanmar is het gouden land. Gouden pagodes, kloosters, monniken, tempels: je vindt ze overal en in groten getale. De sfeer van lang vervlogen tijden in dit op en top boeddhistische land grijpt je aan. Myanmar is met geen enkel ander land te vergelijken, Myanmar is vooral nog heel erg zichzelf. Nog wel, want het land zal nu langzaam maar zeker veranderen.
Hier volgt ons reisverslag van een maand rondreizen in Myanmar.

                                                                                                                                                          

YANGON
We rijden vanaf het vliegveld de vroegere hoofdstad Yangon in. De grootste stad van het land en de stad, waar je als reiziger het land binnenkomt. In eerste instantie lijkt het hier op alle andere Aziatische landen of steden en is aan niets te zien dat het hier Myanmar zou moeten zijn. Groene buitenwijken, veel lage bebouwing, wat een beetje een dorps karakter geeft aan deze metropool. Veel bromfietsen, fietsen en auto’s, waarvan de meeste de jaren zestig nog gekend moeten hebben. Hier en daar wat lelijke hoogbouw, die ook in deze stad aan het oprukken is. Dichter naar het centrum toe wordt het steeds drukker en het straatbeeld levendiger en authentieker. Minder dan we in de rest van het land zullen zien, zien we mannen in wikkelrokken, en vrouwen, mannen en kinderen met thanaka op hun gezicht.
 
Even later gaan we te voet door het centrum en dan zien we pas echt de armoede en verpaupering van deze stad. De koloniale gebouwen staan er nog, maar de meeste beginnen te vervallen. Wandelen is hier ogen te kort komen, zoveel gebeurt hier op straat. Veel mensen leven op straat, koken hun potje met onduidelijke ingrediënten waarvan we niet eens willen weten wat het precies is. Vergenoegd zitten mensen in groepen om de potten heen, in afwachting van de maaltijd. Het is vaak slachtafval, dat wij niet als vlees zouden gebruiken. Hier is alles eetbaar. Je moet wel. Men heeft handelswaar op de stoep uitgestald, of men zit maar wat en ’s avonds gaat men op dezelfde plek gewoon gestrekt.
Behalve om je heen kijken en je verbazen, opgaan in de hectiek van alledaags Yangon, moet je ook goed je ogen naar beneden gericht houden. Wandelen over wat de stoepen zouden moeten zijn is goed uitkijken. Stenen liggen los, steken omhoog, wiebelen over grote gaten en geulen. Een keer misstappen betekent hier op zijn minst een pijnlijke enkel. Bij de Sule Pagode houden de geldwisselaars zich op, snelle jongens met stapels geldbiljetten in hun handen. Geld wisselen doen we morgen wel. We komen bij de Yangonrivier aan de zuidzijde van het centrum. Het is hier een drukte van belang. Een grote menigte mensen die met het veerpontje naar de overkant wil.
                        
       
Naar de Shwedagon Pagode, een icoon van Yangon en eigenlijk van heel Myanmar, ga je bij voorkeur tegen zonsondergang. Dit prachtige complex ligt op de heuvel Singuttara, even buiten het centrum. We lopen op de weg er naar toe. Vóór ons 220 treden omhoog langs een overdekte trap, aan weerszijden waarvan handelaars en winkeltjes zitten. Jongetjes met plastic zakken (om je schoenen in te kunnen opbergen) komen op ons af: “Money, money” roepen ze. Datzelfde zegt een vrouw even verderop, die ons duidelijk maakt dat we onze schoenen bij haar moeten inleveren, anders kunnen we niet verder. Even twijfelen we. Al gauw beseffen we dat ze gewoon wat wil verdienen, maar dat de schoenen overal langs de trap kunnen worden neergezet zonder dat je er iemand voor hoeft te betalen. Je zult ze in dit land altijd weer terugvinden. Diefstal is hier een onbekend fenomeen.
Boven aangekomen treffen we een uitgestrekt en ongekend mooi tempelcomplex aan, waar van alles gebeurt. De stupa is bijna 100 meter hoog, en bedekt met 50.000 kilo bladgoud. Daar omheen 64 kleinere en nog vele gebouwtjes en tempeltjes. De stupa is ook nog eens belegd met duizenden kostbare edelstenen. Het maakt indruk, deze plek. Gelovigen doen hun gebed, handelaren en zwerfhonden lopen rond, en overal pracht en praal. Het wordt donker en de lichten gaan aan, wat een bijzondere sprookjesachtige sfeer creëert. In een hoekje zitten enkele monniken, die een praatje met ons beginnen. Natuurlijk gaan ze ook op de foto (wat monniken erg leuk vinden). Mensen brengen hun offers, ze zijn in vervoering of in gebed in de vele tempeltjes, er zijn honderden Boeddhabeelden -groot en klein-, de goudkleurige pagode straalt een zee van licht uit. We wanen ons in een compleet andere wereld. En dat is het ook. Dan dalen we de lange trap weer af en gaan op zoek naar een eetgelegenheid. 

                        
Het Kandawgyipark rond het gelijknamige meer is één van de groene longen van “tuinstad” Yangon. Het is zondag en we wandelen door dit park. Deze rustige plek is een verademing na de hectiek van donwtown Yangon. Families en stelletjes wandelen hier en vermaken zich op deze zondagmiddag. Het imposante Karaweikschip in het midden van het meer herbergt een duur Chinees restaurant. Wij kiezen voor het terras van één van de vele eenvoudige eetgelegenheden. Aan de horizon verheft de Shwedagonpagode met een gouden glans zich boven alles uit en weerspiegelt mooi in het water van het meer.
BAGO
De volgende dag rijden we over een opvallend goede weg (eigenlijk de enige goede weg die wij in dit land hebben gezien) naar Bago, tachtig kilometer van Yangon. Bago is een vroegere hoofdstad, maar tegenwoordig is het een niet bepaald aantrekkelijke provinciestad. Toch heeft deze stad een aantal indrukwekkende bezienswaardigheden in huis. We rijden door een groen, vlak land. Het is een rustige weg; alleen in de dorpen wordt het druk. We stoppen bij een markt langs de kant van de weg. Drukte en van alles te zien. Weer kijken we onze ogen uit. De overvolle busjes, waar mensen als trossen aanhangen, op de daken zitten. Auto’s van tientallen jaren oud en verbazingwekkend genoeg rijdt en functioneert het allemaal. De Shdawwemaw pagode is een must-see. Deze pagode is hoger dan die van de Shwedagon in Yangon. Hij staat in de steigers, die van riet en hout gemaakt zijn. In deze gammele constructies zien we overal de arbeiders, die aan de restauratie werken, staan en klimmen. Ze verven de hele pagode over in goudkleurige verf. Een enorm intensief werk. 

            

Het valt ons op dat in dit arme land zo ontzettend veel geld wordt uitgegeven aan het onderhoud van de ontelbare pagodes en tempels. We lopen weer het rondje om de pagode heen. Op het terrein weer overal tempels en altaartjes. Als ik toevallig mijn portemonnee open om voor de zoveelste keer een “kleine (maar verplichte) donatie” te geven aan de tempel staat er meteen een monnik voor me. “Money money”. Dat monniken bedelen is nieuw voor mij. Je zou wat nederigheid verwachten van monniken, maar de tijden veranderen ook hier blijkbaar. De nood is overal hoog. Er wordt opvallend veel gebedeld hier, en we zijn snel een aardig bedrag kwijt, voordat we besluiten dat we toch maar wat strenger moeten worden. De sfeer in deze heiligdommen is losser dan bv. in christelijke kerken. Alles en iedereen, inclusief de dieren, loopt hier, er wordt gehandeld, mensen bidden voor de altaartjes, ze offeren maar maken ook grapjes en lachen. Het is warm vandaag, zeker als we bij het Ambawzathardi Golden Palace aankomen. In de buurt ligt het Maha Kalyani Simalklooster. Er is weinig te beleven. Er hangt een lome sfeer. Een paar jonge monniken wassen hun eetgerei. We wandelen over het kloostercomplex, waar weinig leven te bespeuren valt. Dit land telt enorm veel monniken, geschat wordt een half miljoen. En ze staan in hoog aanzien. Tijdens onze lunch in een nabijgelegen restaurantje gaat het gebedel gewoon door. Er komen zo weinig toeristen, dat de enkeling die hier wel komt niet wordt ontzien. De mensen hebben honger en zeggen dat ook. Ze verontschuldigen zich niet voor hun onophoudelijke gebedel. Er is geen andere optie, ze moeten wel.
Na de Kyaikpun pagode met de liggende Boeddha rijden we terug richting Yangon.

    
 
 
 
 
 
 
 
 
 
INLE LAKE
Het is nog geen uur vliegen van Yangon naar Heho, een klein stadje op het bergachtige plateau van de Shan staat. Hier liggen de twee volgende attracties, die de meeste bezoekers wel aandoen: Kalaw en het Inlemeer. De wereld verschilt hier enorm van die van de metropool Yangon. Hier heerst landelijke rust en is er vooral veel natuurschoon. Bergen aan de horizon, kleurrijke bloemen bloeien overal, stoffige wegen waar nauwelijks auto’s rijden maar wel veel karren. Een vruchtbaar en relatief koel gebied, waar je wilde kersenbomen ziet en waar avocado, peulen, kool, aardappelen en aubergines verbouwd worden. Producten die je in groten getale worden aangeboden door de kleurrijke bergstammen op de vele markten. Even vóór de toeristenplaats Nyaungshwe bezoeken we het prachtige houten klooster Shwe-yan-pyay. Ovale vensters, houten vloeren en plafonds. Jonge monniken krijgen les en met het prachtig binnenvallende licht levert dat mooie beelden op.
            
Het Paradise Inle Resort, waar we de komende drie nachten verblijven, ligt op palen gebouwd midden in het Inlemeer. Vanaf Nyaung Shwe is het drie kwartier (ongeveer 15 kilometer) met een bootje. Dat vervoermiddel is de komende dagen hier ook de enige optie om deze schitterende omgeving te verkennen. In het Inlemeer, mooi omringd door de bergen op de achtergrond, leven de bewoners in huizen, die allemaal op palen in het water zijn gebouwd. Het Inlemeer meet 10 bij 22 km en ligt op 900 meter hoogte. Inle is een geliefde en bekende bestemming. Dat is volkomen terecht. De sfeer hier, rondvarend door de dorpjes in het water, de fraaie tempels en pagodes, de eenbenige roeiende vissers met hun grote fuiken, de drijvende moestuinen waar bloemen en tomaten gekweekt worden: je waant je in een bijzondere wereld, die zijn gelijke bijna niet kent. Hier heb je wel een paar dagen nodig. Varend door de groene kanalen leg je hier en daar aan bij de drijvende dorpen, waar boten gebouwd worden en sigaren worden gemaakt. Je ziet mensen in hun gewone doen, arm en levend op een manier zoals dat al honderden jaren gaat en waar nog niets is veranderd.

                 

Het “Klooster van de springende katten” lijkt door zijn naam méér dan het is. Het verhaal wil dat iemand voor de Lonely Planet aan het werk was en bij toeval hier terecht kwam. De zich vervelende monniken waren katten gaan trainen in het springen door een hoepel. De journalist gaf het klooster de naam van deze springende katten, en nu is het een min of meer officiële naam. Er wordt weinig gesprongen in het klooster, de katten liggen uitgeteld ergens op de vloer. Het klooster is echter erg fraai en zeer de moeite waard. Indein is dat ook. Het dorpje, dat iets van de zuidkant van het meer af ligt, heeft een relaxte sfeer en herbergt op een heuvel even buiten het dorp ruim 1000 half vervallen ruines. Het doet in de verte aan Angkor Wat denken: boomstronken en –takken groeien langs en door de ruines heen, veel pagodes zijn bijna overwoekerd en er heerst een bijna mystieke sfeer. We wandelen terug door het bamboebos, langs de rivier. Inle maakt indruk op ons: de sfeer is bijna idyllisch te noemen.

                 

De volgende dag varen we naar het zuiden, richting Loikaw. We bevinden ons vandaag in centraal Myanmar. In dit gebied is alles nog oorspronkelijk gebleven. Het zal er honderd jaar geleden niet anders aan toe zijn gegaan dan vandaag. Hier moet werkelijk niets veranderd zijn. Slaperige dorpjes aan het water, waar we traag aan voorbij glijden. Veel bootjes en bedrijvigheid op het water, bamboebossen, rijstvelden. Op de achtergrond van dit idyllische rivierlandschap de altijd wazige blauwachtige bergen. En overal die opgestoken vriendelijk zwaaiende handen. Zonder uitzondering. Hier groet men elkaar en iedereen die langs komt. Dit is het meest vriendelijke, zachtaardige volk dat ik ken. Het water is hier van levensbelang. Alles speelt zich af op en nabij het water. Dat maakt een boottochtje tot een waar kijkspektakel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Sinds kort is het gebied niet langer afgesloten voor buitenlandse bezoekers. Niet dat dit prachtige landschap nu zoveel te verbergen had waar wij, westerlingen, absoluut geen kennis van zouden mogen nemen. Het is in wezen niet anders dan het omringende land waar buitenlanders wel mochten komen, maar vanwege de afsluiting is het nog wel een stuk authentieker gebleven. De werkelijke reden om dit gebied tot een verboden gebied te verklaren was de onrust in dit gebied, het verzet tegen het regime. De Pa O die hier wonen hebben niet zoveel met de centrale regering. Nooit gehad. Het regime had hier lange tijd dan ook niet zo veel te vertellen. De Pa O voelen zich autonoom. Geen bemoeienis van wie dan ook. De streek wordt vandaag de dag nog steeds gecontroleerd door de Pa O. Maar wat de Pa O betreft zijn we hier welkom. Het risico op schermutselingen wordt vandaag blijkbaar niet als al te groot ingeschat.

 

                  
We moeten een permit halen, voordat we het gebied in mogen. Dat weer wel. Dat is overigens geen probleem. Geen zware toets op je antecedenten, een paar dollar volstaat. We krijgen vervolgens twee Pa O mensen mee. Officieel om het vak van gidsen te leren, want men hoopt hier in de toekomst op meer buitenlandse bezoekers. Onofficieel om ons wel een beetje in het gareel te houden natuurlijk. Geen gekke dingen. Je weet maar nooit met die vreemdelingen. Een soort verplichte escorte dus, maar wij voelen het niet zo. Het zijn twee vriendelijke maar zwijgzame mensen, die onze voetstappen vandaag niet al te hinderlijk zullen volgen. Een enorme verzameling prachtige tempels en tempelruïnes waar je het niet vermoedt. In the middle of nowhere. Sagar is zo’n plaats. Er wordt weinig aan onderhoud gedaan en het ene exemplaar verkeert in een betere staat dan het andere. Veel tempels zijn half overwoekerd door de jungle. Geen loketten, geen toegangshekken, geen bordjes, geen verkopers. Eigenlijk is er niemand die er om maalt. Het staat er zoals het er staat. We lopen hier alleen, met onze Pa O gidsen natuurlijk. De sfeer is hier haast magisch te noemen. Alles ademt hier nog oorspronkelijkheid uit. We duiken figuurlijk de verleden tijd in. Het had evengoed het jaar 1800 kunnen zijn. Hier beweegt niets, alleen de tand des tijds, die onmerkbaar maar vastbesloten doorknaagt. We lunchen aan de rivier. Een kleine uitspanning op een verhoging in het landschap, zodat we een mooi uitzicht hebben op Sagar aan de overkant. De eigenaar is erg opgetogen over onze komst. Gasten, dat maakt hij blijkbaar niet iedere dag mee! Zoals bijna overal in Myanmar blinkt het menu niet uit in uitzonderlijke variëteit. Het keuzemenu bestaat uit rijst met kip, rijst zonder kip, rijst met een beetje kip en kip met een extra portie rijst. Hij doet erg zijn best, we eten redelijk lekker en rekenen uiteindelijk omgerekend vijf dollar af. 
                                                 
We leggen na nog een uurtje varen aan bij een Pa O dorpje. Het is klein en eenvoudig. We wandelen eerst wat rond en we worden dan ontvangen door een familie. We gaan buiten zitten, op het rommelige erf. Ik zie allerlei onduidelijke attributen en activiteiten, waarmee de familie zich een schamel bestaan probeert te verwerven. Een ketel, die borrelende geluiden maakt. Aan de ketel zitten tuinslangen vast, die naar een aantal bakken leidt. Er wordt vanuit de ketel palmwijn naar deze bakken gepompt. Hier en daar lekken de slangen. Een aantal eenden heeft dit feilloos door. Ze doen zich tegoed aan de lekkende palmwijn. Voor zover je kunt zeggen dat een eend een stabiele loopgang heeft, is van stabiliteit nu niets meer te merken. In plat Hollands: ze zijn straalbezopen. Ze vallen om, ze liggen, ze rollen, hun ogen staan vreemd. Zoals je een dronken mens meteen herkent, zo herken je ook een dronken eend. Ondertussen proberen ze voortdurend nog meer van de palmwijn tot zich te nemen. Dit is een gevalletje verslavingszorg. 
 
 
   
      
 
 
 
 
Ons wordt een fles palmwijn voorgezet. Lione vindt het niet lekker, die begint er niet aan. Ik probeer moedig een paar slokken te nemen. Tot mijn opluchting is mijn kommetje na een paar minuten bijna leeg. Maar het wordt onmiddellijk weer volgeschonken. Uit beleefdheid neem ik moedig nog een voorzichtige slok. De Pa O mannen putten hier moed uit: de fles wordt kordaat mijn kant opgeschoven. Ik mag zoveel nemen als ik wil. Veel gespreksstof is er niet. Zij spreken en verstaan geen Engels, laat staan Nederlands. En ons Birmees is ook nog niet echt op peil. Erg is dat niet. De sfeer is goed.We varen tegen de avond weer terug. Er steekt een fris briesje op, maar het deert ons niet. We geven ons over aan de weidsheid van wat ons omgeeft, een schilderachtig decor van water, groene velden, wazige bergen en gouden pagodes, de oorverdovende stilte en de avondwind. We zien overal migrerende vogels. We genieten van de rust in dit verstilde tropische landschap.
              

KALAW
Het is ruim 2 uur rijden van Inle naar Kalaw. Na Heho klimt de weg en al snel zitten we in bergachtig gebied. Kalaw is zo’n plaats zoals je die vaker ziet in de tropen. Vanwege de hoge ligging en het koele weer waren ze geliefd als woon- of verblijfplaats van de Engelse kolonisten, die zich hier in de droge hete tijd graag terugtrokken. Het dorp heeft, afgezien van het kleine centrum, een parkachtig karakter: veel koloniale huizen en bungalowtjes op kleine heuveltjes in het groen. Het is eigenlijk een typische toeristenbestemming, maar toeristen zijn er nu nauwelijks meer. In de komende dagen zullen we ze bijna ook niet zien. De aantrekkingskracht van Kalaw zit hem in het maken van trekkings door de heuvels rond Kalaw, waar veel bergstammen wonen. Ook voor ons is dit de reden van ons bezoek aan Kalaw.
Het November Hotel ligt wat buiten het centrum in een afgelegen omgeving. Als november synoniem staat voor verval, neergang, somberheid en kilte dan had deze naam niet beter gekozen kunnen worden. Het is een groot, (oorspronkelijk) wit koloniaal gebouw. Als we de gebarsten trappen oplopen komen we in een donker halletje met een kleine eveneens donkere balie. Het doet wat afgeleefd en naargeestig aan. We vermoeden dat we de enige gasten zijn in dit enorme gebouw en dat blijkt te kloppen. De kamer is groot en hoog, en prima in orde. Het begint buiten zachtjes te regenen, de eerste voorbode van een weersomslag. De restanten van een cycloon trekken vanuit Bangladesh over heel Myanmar en dat zal de komende dagen overvloedige neerslag opleveren. Bijzonder voor de maand december, want volgens de klimaatstatistieken is de neerslagsom 0,0 mm. Maar het weer trekt zich natuurlijk niets aan van statistieken en dat zullen we merken ook.
We maken een rondrit door het dorp: wat tempels, een Boeddhabeeld en het oude stationnetje, waar op dat moment geen activiteit is. Het begint nu echt hard te regenen. We eten bij de Nepalees. We rijden terug naar November en de straten van Kalaw zijn pikdonker, nat en verlaten. Een beetje een naargeestig sfeertje en dat verandert niet als we in ons hotel aankomen.
            

De volgende ochtend lopen we de “ontbijtzaal” binnen. Een enorme zaal met wel vijftig tafels. Het is aardedonker. Door één raam komt een zwak licht naar binnen en aan dat tafeltje mogen we plaatsnemen. Het is wat sinister allemaal. We hebben geluk: vandaag is het markt in Kalaw. De markt volgt hier een vijfdaagse cyclus door de dorpen in de omgeving en vandaag is Kalaw aan de beurt. Het regent onophoudelijk, maar desondanks is de markt een kleurrijke bedoening, waar van alles te zien en te beleven is. Op hun hurken zitten de vrouwen en meisjes achter hun koopwaar, meestal een paar kolen, tomaten of lente-uitjes. Deze bergmensen zien er fleurig en mooi uit. We lopen uren door de modder en de grote plassen. Daarna lopen we terug naar ons hotel, en bedenken wat we nu willen doen. We lopen nogmaals naar het centrum waar de markt net is afgelopen, drinken koffie bij de Chinees en lopen doorweekt van de regen weer terug. Het is duidelijk: die trekking zit er niet in. De volgende ochtend is het droog en komt er een zwak zonnetje door. Bij het vertrek lijkt alles wat meer kleur en licht te hebben gekregen.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
MANDALAY
Op weg naar het vliegveld van Heho stoppen we in Aung Ban. Dit dorp is vandaag aan de beurt voor de markt. We lopen door het centrum heen. Het is meer van hetzelfde, maar niet minder kleurrijk. Het landschap is hier schitterend. Glooiende heuvels, veel bloemen, werkende mensen op het land, en vooral heel veel rust. Onze vlucht naar Mandalay is behoorlijk vertraagd en uiteindelijk zijn we een hele dag kwijt: ’s avonds in het donker komen we in ons fraaie hotel in Mandalay aan. We hebben geluk gehad bij het vliegveld van deze stad. Het is al donker als we aankomen en omdat er geen vliegtuig meer zou landen vandaag, wij hadden het laatste, is er ook bijna niemand meer aanwezig op de luchthaven, ook buiten niet. Merkwaardig voor een miljoenenstad, maar er zijn hier slechts enkele vluchten per dag. We zien de laatste taxi staan en het is, wat de prijs betreft, “take it or leave it”.

     

 

 

 
 
 
 
 
 
De naam Mandalay had nog niet zo lang geleden een magische klank. De koningsstad waar het straatbeeld nog authentiek, bijna 19e eeuws, was: veel wandelende mensen, fietsen, geen verkeerslawaai. Dat Mandalay is er niet meer, merken we al gauw. Het is een ongelooflijk hectische, lawaaierige, drukke stad. Oversteken is hier een hachelijke zaak: alles en iedereen raast onophoudelijk door. De aantrekkingskracht van Mandalay zit hem zeker niet in de stad, het centrum al helemaal niet, maar in de nabije omgeving van de stad.
De volgende ochtend vroeg vertrekken we naar de rivierhaven. Hier heerst een enorme bedrijvigheid. Er liggen veel boten uiteraard; handelaren, kinderen, vrouwen, zwerfhonden, allemaal hangen ze hier rond omdat er misschien iets te doen, te verdienen of te eten is. Je waant je honderd jaar terug in de tijd. Mensen om ons heen, vragen, bedelen. Over een wel heel smal (10 cm) en lang (6 meter) gammel loopplankje dalen we af naar de veerboot die ons naar Mingun moet brengen, drie kwartier varen over de brede Ayeyarwady rivier.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Zodra we in Mingun van de boot aflopen worden we wederom belaagd, maar we nemen snel een afslag van de toeristische hoofdroute. Het is hier rustig wandelen in een dorp dat nog de sfeer van lang vervlogen tijden ademt. Een relaxte sfeer. We lopen over een stoffige zandweg, ossenkarren komen ons tegemoet. We bezoeken een aantal fraaie pagodes en tempels en belanden aan het einde van het dorp bij het bejaardentehuis van zuster Thwe Thwe Aye. Het bejaardentehuis is gesticht in 1916 en de zuster is er de verpleegkundige. Dergelijke particuliere initiatieven zijn ongebruikelijk, maar wel heel noodzakelijk in dit land, waar verder niets is of wordt gedaan voor oude of gehandicapte mensen of weeskinderen. We hebben wat medicijnen uit Nederland meegenomen. Hoewel zuster Thwe Thwe Aye vaker bezoek krijgt van westerse toeristen (het bejaardentehuis staat in diverse reisgidsen en heeft zelfs een zekere faam) is zij ongelooflijk blij met onze komst. Ze straalt aan alle kanten. We maken een rondgang door de diverse zalen. De oudjes hebben een bed, een kastje voor hun spullen en ze eten uit een kommetje hun rijst. Ze hebben het ongetwijfeld beter dan veel mensen buiten. We horen enkele jaren later dat zij zou zijn overleden.
                      
Onder het motto “je moet alles eens geprobeerd hebben” nemen we voor de terugweg de ossenkar. Het kraakt, piept, hobbelt en wiebelt aan alle kanten. Halverwege vinden we het wel genoeg zo. De ossenbaas is eerst verbaasd, een beetje bang dat hij nu niet het afgesproken bedrag zal ontvangen. Als wij hem duidelijk maken dat hij dit wel krijgt, is hij opgelucht. De ossen wilden toch al niet zo vandaag, lijkt hij te zeggen. We wandelen door het landerige dorpje terug naar de rivier. Vrouwen wassen hier kleding en zichzelf. Een meisje van een jaar of 12 houdt ons gezelschap. Maar als we van haar af willen, wil zij niet vertrekken. In goed Engels zegt ze: “I won’t leave until you give me money. I’m hungry, you see”. En daar kan een Nederlands hart dan weer niet tegenop.
Terug in Mandalay wisselen we eerst weer geld. Hoewel we hebben gehoord dat dit alleen in Yangon kan, blijkt dat mee te vallen. In Mandalay, en in alle plaatsen daarvoor en daarna, kan het ook. Het is gekkenwerk om hier over straat te lopen. Je moet van alles ontwijken, en dat is niet ongevaarlijk want op straat raast alles door. We besluiten om dan maar de tuktuk te nemen. Uiteraard slaan we de beroemde tempels en kloosters van Mandalay niet over. Onze dag zal eindigen op Mandalay Hill, een heuvel van 200 meter hoog, even buiten het centrum. Boven is de sfeer sereen. Een fraai tempelcomplex. Vanaf het terras overzie je de stad met aan de horizon de steeds verder wegzakkende zon. Monniken willen graag met je praten, de toeristen gedragen zich nu eens opvallend rustig, ze zitten, genieten, lezen een boek. We hebben de tuktuk naar boven genomen. De klim had ook lopend gekund, maar dat zijn dan wel 1700 treden. We gaan weer naar beneden en onze tuktuk laveert door het spitsuur van Mandalay. Rijen brommers, fietsen en auto’s links en rechts naast ons, een bombardement aan vuil en gassen spuiend. Onze keel wordt droog en hoestend laten we ons noodgedwongen onderdompelen in zoveel verkeersgekte.

 

  
 
 
 
 
 
 
 
 
AMARAPURA
Het Mahagandayonklooster in Amarapura, een voorstad van Mandalay, is onmiskenbaar een fraai klooster. Een groot klooster ook. Hier wonen en leven 1200 monniken. Lopend over het terrein zie je overal kleine woongebouwen. Gewaden hangen te drogen. Monniken hangen wat landerig rond. Om 10.15 uur ’s ochtends gebruiken de monniken hun laatste maaltijd van die dag. Het is indrukwekkend om te zien hoe 1200 monniken zich in lange rijen opstellen, twee rijen van 600, en met hun eetkom in hun hand langzaam, stil, gedisciplineerd en met gelaten blik, voorwaarts schuifelen. Nadat hun kommen zijn gevuld betreden zij de eetzaal, waar zij – op de grond gezeten – achter lange tafels zwijgend de maaltijd gebruiken.
             

Daarna rijden we naar de U Beinbrug, even verderop. De 1200 meter lange brug is volledig van teakhout, de langste houten brug ter wereld. Hij overspant het Taungthamanmeer. Op dit moment is de waterstand laag en bevindt de brug zich 6 meter boven het water, maar in de natte tijd kan hij soms wel overspoeld worden door het water. Het is een schitterend gezicht om te zien hoe deze brug, hoog op houten palen, zich meer dan een kilometer voortslingert over het meer. Op de brug raak je niet uitgekeken. Alles en iedereen loopt hierover heen en dat terwijl de brug nog geen 2 meter breed is. Vrouwen met manden op het hoofd, kuierende monniken, mannen op fietsen. Vooral vanaf het water gezien, en dan ook nog eens tegen zonsondergang, levert dit bijzondere fraaie sfeerbeelden op die vanaf een bootje op het meer kunnen worden bekeken en beleefd. Beelden die een icoon van Myanmar zijn geworden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat iedereen, die iets wil verdienen, zich hier al vroeg op de dag ophoudt. Er zijn erg weinig toeristen. De toerist die hier komt aanlopen wordt dan ook onophoudelijk belaagd. Hoewel de mensen vasthoudend zijn, zijn ze niet vervelend. Nee is nee en dat begrijpen ze wel. Maar dan is er al weer de volgende….
   
 
 
 
 
 
 
 
 
De sfeer is desondanks geweldig. Het is een drukte, een poppenkast, maar wij proberen vooral van de authentieke beelden te genieten. Voordat we hier van de zonsondergang gaan genieten, hebben we nog een heel programma af te werken. Sagaing bijvoorbeeld. Deze stad ligt aan de overkant van de Ayeyarwady. De heuvels buiten de stad lijken bezaaid met pagodes, honderden, duizenden, groot en klein. We bezoeken er enkele, maar er is eigenlijk geen beginnen aan. We genieten meer van het totaalbeeld: ontelbare pagodes met hun gouden koepels in een mooi heuvellandschap.
             

In het gebied rond Inwa, de oude koningsstad Ava, liggen veel ruines en kloosters. We varen een zijrivier van de Ayeyarwady over. Aan de overkant staan paardenkoetsjes klaar die je door dit gebied rijden. Het is een mooi landelijk gebied, maar na een paar kilometer kijken wij elkaar bedenkelijk aan. De koetsen zijn slecht, uitermate slecht (wat later in Bagan zullen we ervaren dat het óók beter kan). Daar kan de arme bevolking niet zo veel aan doen. Zij hebben geen geld voor nieuwe, voor onderhoud en zij moeten toch hun brood verdienen. We rammelen en schudden aan alle kanten. Het paard heeft duidelijk moeite met drie mensen op het karretje. De wegen zijn bijzonder slecht met grote gaten en kuilen en moddersporen. Is dit leuk? Nee, besluiten we, niet alles in een rondreis is per definitie leuk. Dit is echt afzien en van genieten is voor ons op deze manier geen sprake. Wij hernia, het paard hernia als we dit afmaken. Wij vragen de verbaasde koetsier om terug te keren. We drinken wat op een terras en raken in gesprek met de ober, die verder niets anders te doen heeft. Mensen hier zijn er erg geïnteresseerd in om te horen hoe de wereld buiten hun land er uitziet, want ze hebben geen idee. De avond bij de U Beinbrug maakt onze dag helemaal goed. Dit is een onvergetelijke ervaring en één van de hoogtepunten van Myanmar. We huren een bootje en laten ons over het meer rond varen, vlakbij de brug. We fotograferen de mensen op de  brug, die tegen het zonlicht in silhouetten zijn geworden. Dit zijn de beroemde ' brug foto's'  die we al lang zo graag wilden maken. We wandelen ook een stuk over de brug zelf. Omdat het water erg laag staat, loop je hoog (zes meter) boven het wateroppervlak. Omdat de brug geen relingen heeft en ook erg smal is, is dat even wennen.

 

 
 
                                        
 
         
 

l

We rijden vroeg over de nieuwe brug het chaotische Mandalay uit. De sfeer verandert van het ene op het andere moment radicaal: het is weer terug in de tijd. Rust. Landerige dorpen. Krakende en piepende ossenkarren. Vrouwen met manden en bossen hout op het hoofd. In een klein eenvoudig dorpscafé drinken we iets waarvan we niet weten wat het is, maar dat als koffie is besteld. Het is alsof we ons in een scène van een avonturenfilm bevinden. We zijn de enige westerlingen en worden van alle kanten bekeken, zoals wij onze ogen uitkijken en genieten van deze totaal andere wereld. Mannen in hun wikkelrokken zitten op een laag bankje rond een tafel. Wij zitten aan een andere tafel, ook op lage bankjes. Aan een derde tafel zitten monniken. Het is hier kijken, en bekeken worden. Kinderen en volwassenen staren ons langdurig aan. Wandelend door het dorp, klinkt achter donkere ramen “bye-bye” (bedoeld wordt: “hello”). Wij zien ze niet, zij zien ons wel. Monywa is een snel groeiende handelsstad, die ongeveer 135 ten westen van Mandalay ligt, aan de Chindwinnrivier. De stad, die sinds de negentiger jaren is opengesteld voor buitenlandse bezoekers, krijgt weinig bezoekers, wat zou komen door het gebrek aan accommodatie. Toch is de stad en omgeving erg de moeite waard om te bezoeken. Wat de accommodatie betreft: er zijn inderdaad maar een paar hotels. Wij logeren in het Win Unity, een uitstekend hotel, iets ten westen van de stad. Er tegenover is een erg smakelijk Chinees restaurant. Monywa is goed te doen als stop op de route Mandalay-Bagan. De weg van Mandalay naar Monywa is van goede kwaliteit.
        
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

MONYWA - PAKOKU- BAGAN

In Pakkoku stoppen we bij de rivier. Hier ligt onze privéboot klaar, die ons in enkele uren over de Ayeyerwady naar Bagan zal varen. Er heerst een gezapige, landerige sfeer als we het smalle weggetje naar de rivieroever oprijden. Niemand te zien. Maar de voor ons onhoorbare tamtam doet zijn werk uitstekend, want er ontstaat al snel een heus oploopje zodra we met onze bagage en spullen uit de auto stappen. Ineens een kluwen mensen om ons heen. Het is duidelijk: toeristen komen hier bijna niet en iedereen wil zijn graantje meepikken uit dit onverwachte maar broodnodige buitenkansje. Onze tassen worden naar de boot gesjouwd, wel zeven mensen zijn ermee bezig. Dat wil zeggen: zeven dragers (zelfs twee plastic tassen hebben ieder een aparte drager) en een veelvoud hiervan zwermt er om heen, om straks te laten zien dat ze wel degelijk ‘meegeholpen’ hebben. Zelf worden we onmiddellijk ingesloten door vrouwen en kinderen. Wat een ongelofelijke armoede. Gaten en scheuren in hun kleding. Groezelige en gekweld kijkende gezichtjes.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

We stappen in het gedrang met moeite in onze boot. Een kordate dame stapt mee de boot in. Zij wil een kleedje ruilen tegen kleding. We hebben uit Nederland kinderkleding meegenomen, ze heeft goed gegokt. Ze vraagt om kleertjes voor haar dochter. Van de tevoren samengestelde pakketjes hebben we nog kleding over voor een kind van 2, een kind van 4 en een kind van 9 jaar. Nu blijken er meer dames interesse te hebben: sterker nog, zij willen allemaal wel zo’n pakketje. Kinderen van 2, 4 en 9 jaar hebben ze ook, knikken ze heftig, ook het kleine oude vrouwtje van zeker 75 jaar dat niet van mijn zijde wijkt, met een blouse die meer gaten dan stof vertoont.  

Het wordt een pandemonium. Een chaos van woorden en gebaren. Afgezien van de eerste vrouw hebben de andere dames niets aan te bieden om mee te ruilen. Als Lione dan maar besluit om de kleding weg te geven, reageert de eerste dame verontwaardigd. Ze vindt het niet eerlijk, zegt ze. De andere dames hebben niets om mee te ruilen en zij moet als enige een kleedje afstaan. De kleine dingen tellen hier. Uiteindelijk besluiten we om maar gewoon uit te delen. We kunnen er door de ontstane opwinding niet meer om heen, willen we ons vege lijf nog redden. De dames zijn dolgelukkig en glimmen van oor tot oor. De eerste dame rent opgetogen de boot af, omdat zij haar kleedje kan houden. Maar hiermee is de rust bepaald nog niet teruggekeerd. Als we – voor de fooi - vragen wie onze drie tassen heeft gedragen (we rekenen de plastic tasjes met water en dergelijke niet mee), gaan zeker 12  handen omhoog. Kom daar maar eens uit. We zijn dan ook blij, dat we even later varen – het voelt als een narrow escape - en er weer rust is.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De volgende uren genieten we van de stilte op de traag stromende brede rivier. We hebben weer nieuwe energie opgedaan om de volgende uitdaging aan te kunnen: Bagan, dat nu in zicht komt. En voor ‘Bagan’ komt een kleine boot met twee vreemdelingen in zicht. Op de kade worden slapende koetsiers en taxichauffeurs wakker. Onder de schaduwrijke bomen luierende mannen en vrouwen staan op. Iedereen neemt snel zijn of haar positie in. Wij ook. We zijn er weer helemaal klaar voor.

BAGAN

Bagan is misschien wel de grootste toeristische attractie van Myanmar, en dat is niet zonder reden. In een droge vlakte, slechts begroeid met wat palmen, strekt Bagan zich over een oppervlakte van 40 km2 uit. De vlakte is bezaaid met meer dan 2.200 pagodes, kleine en grote. Bagan is het grootste Boeddhistische ruinegebied ter wereld en onmiskenbaar één van de indrukwekkendste plaatsen van Zuidoost Azië. Misschien wel van heel Azië. Bagan was vanaf 1100 zo’n twee eeuwen lang één van de machtigste rijken van Azië en waarschijnlijk ook de grootste stad. De houten huizen zijn in de loop van de eeuwen uiteraard allemaal verdwenen, maar wat rest aan pagodes en tempels, zo ontelbaar veel, is adembenemend.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wij hebben het geluk om in Bagan Koelin tegen het lijf te lopen. Koelin heeft een horsecart. Het is zijn bron van inkomsten. Op onze vraag wat zijn tarief is voor een rondrit antwoordt hij verlegen en bescheiden dat hij dat aan ons overlaat. Hoe lang willen wij? Koelin begrijpt precies wat wij willen. En dat is niet het standaardrepertoire Bagan. Wij willen stoppen, waar anderen dat niet doen, en omgekeerd. Wij willen vooral de tijd hebben aan onszelf en voor de niet voor de hand liggende plekken. En dus rijdt Koelin ons rond, stopt op plaatsen waar hij anders niet stopt, en omgekeerd. Hij wacht rustig, desnoods een uur, totdat wij weer uit een tempel gekropen komen. Hij rijdt rustig, en stopt zonder morren op ons commando voor een fotoshoot. Wat hij vaak moet doen. Koelin is een vriendelijke rustige man. Een man naar ons hart.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het is bijna avond als we de terugweg naar Old Bagan aanvaarden. De duisternis valt, zoals overal in de tropen, snel in. De omgeving vervaagt binnen een paar minuten. Het opdwarrelde stof boven deze vlakte is al snel niet meer te zien. Een verkoelend windje steekt op. Met een lekker gangetje sjokt ons paard voort over de mulle zandpaadjes. De tempels, de stupa’s en pagodes worden silhouetten, beschenen door een halfwassen maan. Soms verdwijnt de maan achter de silhouetten van de tempels, achter de donkere bomen, maar altijd komt hij weer tevoorschijn en reist met ons mee. In hetzelfde tempo. Een onvoorstelbaar gevoel van genot en geluk neemt bezit van ons. Wat is dit onaards mooi.

We zijn zo tevreden over onze eerste dag met Koelin, dat we de volgende dag weer met hem meegaan. We rijden naar een ander deel van de vlakte en belanden zo in de middag in het dorpje Minnanthu. Een klein typisch Birmees plattelandsdorp, waar de tijd honderden jaren stil gestaan lijkt te hebben. “Koelin, stop!” roepen we, want als we ergens gek op zijn is het op dorpjes waar je als enige toerist heerlijk rustig kunt rondwandelen, genietend van het authentieke.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een meisje komt enthousiast naar ons toe rennen. “Hello” roept ze vriendelijk. Ja hoor, natuurlijk mogen we hier rondwandelen, en alles bekijken. Ze biedt, vrolijk doorkwebbelend, aan om met ons mee te lopen. Ze zal ons alles vertellen. En dat doet ze, met verve. We zien de huizen en de mensen van het dorp, haar eigen huis. Wat een leuk onthaal. En wat spontaan dat we hier zo maar mogen rondkijken, terwijl we toch vreemdelingen zijn. We boffen maar, vinden we. Vóór haar huis zit Oma. Oma is 82 jaar en geniet van een enorme sigaar. We mogen Oma best op de foto zetten, zegt ze. En dat doen we. Oma poseert gewillig, verwoed trekkend aan haar reuzensigaar. Dan nadert het einde van de spontane rondleiding. Tijd voor de ‘beloning’.  Ze vraagt ons om make-up spulletjes, maar die hebben we niet meer. Alles is al weggegeven. We geven haar geld, maar het valt haar tegen. Geld is leuk, maar als je er niet de spullen voor kunt kopen die je wilt, gewoonweg omdat ze er niet zijn, is dat niet waar ze op had gehoopt. Teleurgesteld loopt ze weg. Wij lopen naar onze horsecart. Op dat moment verschijnen er zowaar twee andere toeristen. We dachten in een onontdekt achterafdorpje te zijn beland, maar blijkbaar hebben deze twee het ook weten te vinden. Het gezicht van het meisje klaart op. Ze loopt op de toeristen af, even enthousiast als ze op ons kwam aflopen. “Hello” horen we haar nog zeggen.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bagan, we hobbelen twee dagen door de vlakte, we zien de meest indrukwekkende tempels, en we genieten op de top van de pagodes twee avonden lang van een ongelooflijk sfeervolle en kleurrijke zonsondergang. Het is niet overdreven te stellen dat het hier wel een andere planeet lijkt. Een onaardse beleving, zeker als we in het licht van de volle maan over de rulle zandpaadjes langs de silhouetten van de eeuwenoude tempels rijden.

In Bagan zien we wat meer toeristen, vooral Aziaten. Dit icoon van Myanmar heeft in ieder geval niet te lijden onder het sterk teruggelopen bezoekersaantal. De vele verkopers overtreffen de toeristen in aantal. Je moet tientallen keren deze verkopers van je afschudden voordat je rustig kunt rondkijken. Maar dan is het ook echt genieten. In het kleine dorpje Minnanthu, dat midden in de vlakte ligt, omringd door pagodes, worden we enthousiast begroet door een pittig meisje, dat ons in goed Engels welkom heet en zegt dat ze ons het hele dorp zal laten zien. We wandelen met haar door het dorp, gaan eeuwen terug in de tijd, en we zien het huis waar zij met haar familie woont. ’s Avonds eten we bij het vegetarische restaurant The Moon. Het ligt bij de Anandatempel, nog nèt voor de stadspoort van Old Bagan. Wij kunnen dit restaurant bijzonder aanraden!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

RAKHINE

In het uiterste zuidwesten van Myanmar ligt de staat Rakhine, ingeklemd tussen ontoegankelijke bergen in het noorden en een smalle kuststrook in het zuiden. De Rakhine zijn een eigenzinnig volk en voelen zich niet zo Birmees. Omgekeerd kijken ook de Birmezen niet altijd positief tegen dit volk aan. Het zijn van oorsprong Tibetanen, maar er wonen vandaag de dag ook veel moslims uit buurland Bangla Desh, dat aan Rakhine grenst. Het kost wat moeite om hier te komen. De gemakkelijkste weg is per vliegtuig. We vliegen eerst naar Ngapali Beach, waar we in een schitterend resort aan het strand vijf ontspannen dagen hebben.

De sfeer en ons verblijf hier is geweldig. We zitten in het Amata Resort en Spa, en we kunnen het gerust luxe en comfortabel noemen. Het personeel is ongelooflijk aardig en klantgericht. Aan het strand zien we de locals voorbijkomen. Ze sjouwen met van alles: grote fruitmanden, bossen hout om straks te kunnen koken. Het dwingt respect af: vrouwen sjouwen met een ongelooflijk zware vracht op hun hoofd, kilometers lang. In de omgeving is het heerlijk wandelen: stille vissersdorpjes, waar de sfeer relaxed is. Het was het ultieme, maar blijkbaar onontdekte paradijs, want we hebben er nauwelijks gasten gezien. Dat verbaasde ons, want het was er onvoorstelbaar mooi, rustig en relaxed. In de omgeving was het heerlijk wandelen door de stille landerige vissersdorpjes. En nu begint het meest avontuurlijke deel van onze reis. We zijn er klaar voor.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

We vliegen naar Sittwe, niet ver van de grens met Bangla Desh. Sittwe is een vrij grote stad, maar dat zie je er niet zo vanaf. In de hoofdstraat is het een drukte van belang, maar je ziet er bijna geen auto’s. Hier is het stadsbeeld nog authentiek: tuktuks, fietsen met bakjes voor het vervoer van spullen en mensen, en een traditioneel geklede bevolking. Het doet hier inderdaad aan Bangla Desh denken. We logeren in één van de weinige hotels van de stad. Niet bepaald modern en comfortabel, maar we hebben weinig keuze. We wandelen ’s avonds wat door de hoofdstraat. De sfeer is levendig. Mensen op straat reageren, afgezien van een enkele bedelaar, niet op ons. Hier komen geen toeristen, en de mensen hier lijken ze ook niet echt interessant te vinden.

Sittwe is geen doel op zich. Het is een wat haveloze en arme stad, het ligt geïsoleerd en jarenlang was de stad zo ongeveer van de buitenwereld afgesneden. Nog altijd kun je er alleen door de lucht komen. Er heerst een sfeer van een dorp en van lang vervlogen tijden, en er zijn geen bezienswaardigheden die de moeite waard zijn. Het is een noodzakelijke stop op de route naar Mrauk U, wat dieper het binnenland in. Mrauk U is een kleine plaats in opkomst, vanwege de vele Boeddhistische ruines die ook hier weer te bezichtigen zijn. Een boottocht van zes uur vanuit Sittwe brengt ons er heen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

MRAUK U/CHIN

Na vertrek van de bedrijvige kade in Sittwe varen we de Kaladanrivier op, die hier vele kilometers breed is. Na enige tijd versmalt de rivier zich tot ruim 1 kilometer breed. We zitten op een oude privéboot en net als we ons afvragen of deze gammele schuit het wel gaat halen, zien we een andere boot stil liggen op de rivier. Drie Amerikaanse toeristen stappen over op onze boot, hun boot heeft het opgegeven. Het is een genot om door dit afgelegen land te varen. Slaperige dorpjes, waar kinderen behendig over de steile gladde rivieroevers naar beneden rennen om naar ons te zwaaien, waar vrouwen de was doen en verder niet veel gebeurt. Hier is in honderden jaren nagenoeg niets veranderd. Er staat een fors windje en voor het eerst in dit land hebben we het echt koud. Er is behoorlijk wat golfslag, maar als we een zijtak van de rivier opvaren wordt het rustiger en het landschap nog idyllischer. Iedereen op de oever zwaait naar ons. Het is hier groen en aan de horizon doemen de ruige bergen van de Chinstaat, ons eigenlijke reisdoel, op.

Mrauk U was vroeger de hoofdstad van de staat, een belangrijke stad. Maar die tijden zijn allang voorbij en tegenwoordig is het een klein, erg arm ogend, dorpje, dat veel mooie bezienswaardige tempelruïnes heeft, die verspreid door het dorp overal op groene heuvels staan. Natuurlijk gaan we die zien en ’s middags is ons doel het 8 km verderop gelegen dorpje Vesali. Er zou hier een festival zijn, hebben we gehoord, en omdat we niet weten wat we ons hierbij moeten voorstellen is onze nieuwsgierigheid gewekt. Met een jeep hobbelen we een wel erg slechte weg. Onze ingewanden en ruggen krijgen het stevig te verduren en over de acht kilometer doen we drie kwartier. Dat kun je eigenlijk beter lopen, bedenken we ons achteraf. Bij het “festival” aangekomen zien we een klein tempeltje waar een monnik onophoudelijk en in rap tempo Boeddhistische gebeden door een microfoon heenjaagt, gadegeslagen door een groepje mannen dat wel een soort bingo lijkt te spelen. Onze chauffeur zegt: “Niet goed. Verderop: lots of people”.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

En inderdaad, een paar kilometer verderop is het een drukte van belang. Bijna file en vastlopend verkeer. Er is een groot festivalterrein met vele kraampjes, een worstelwedstrijd, een volleybalwedstrijd en vooral: veel locals. Het is weer zien en gezien worden, want we zijn alweer de enige buitenlanders hier. De middag vordert en de rook, het stof, de dampen, de hitte en de ondergaande zon creëren een bijzondere, bijna onwerkelijke magische sfeer boven het hectische festivalterrein.

Het is drie uur varen naar de Chindorpen die we de volgende dag gaan bezoeken. De Chin is een bergstam, die afgelegen leeft op een nog traditionele manier. Oudere vrouwen hebben hier nog gezichtstatoeages, in de vorm van een spinnenweb. Mogelijk werd dit gedaan om ze onaantrekkelijk maken voor mannen van andere stammen, zodat het risico op ontvoering werd weggenomen. Tegenwoordig is het verboden.

                                                   

 

 

                       

 

 

 

De Chin, een van oorsprong Tibetaans-Birmese stam, wonen op afgelegen plaatsen in het uiterste westen van Birma. Hun woongebied ligt voor het grootste deel in India en Bangla Desh; het oostelijk deel kwam in 1947 onder Birma te vallen. Omdat ze zo geïsoleerd leven, is er hier honderden jaren lang nauwelijks iets veranderd. De gezichtstatoeages van deze tattooed ladies, in de vorm van spinnenwebben, spreken tot de verbeelding. Niemand weet precies waarom deze tatoeages aangebracht werden. Het is traditie, een onderdeel van een overgangsritueel van puberteit naar volwassenheid. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is het afgeschaft. Je zult dus alleen oudere dames zien met een ‘web on their face’. Het kost wat moeite om hier te komen. We zijn deze ochtend vroeg vertrokken uit Mrauk U, een plaats die op zichzelf ook al afgelegen ligt.  Met de mistflarden boven de Lemrorivier lijkt het hier niet alleen het einde van de wereld, het is het ook zo ongeveer.Het einde van de wereld, het begin van het paradijs.Het is een genot om door dit idyllische landschap te varen. Slaperige dorpjes, waar kinderen behendig over de steile gladde rivieroevers naar beneden rennen om naar ons te zwaaien, waar vrouwen de was doen, bamboevlotten over de rivier glijden, en waar verder niet al te veel lijkt te gebeuren.  Life in slow motion. Het is hier groen, schilderachtig en puur. Aan de horizon doemen de contouren van de ruige bergen van de Chinstaat op, ons reisdoel.

         

Een grote menigte dorpelingen staat om ons heen. Een compleet nieuwe ervaring: we zijn even wereldberoemd in de Chin State. De rol van bezienswaardigheid went snel. We hebben cadeautjes bij ons en delen die uit. We voelen ons missionarissen, maar missen elke bekeringsdrang. In het volgende dorp begroeten de oudere dames ons weer en nodigen ons uit. Zo zitten we een uurtje op een bankje. Varkens scharrelen onder de houten huizen, kinderen ravotten. We krijgen kokosmelk en een paar banaantjes aangeboden. We verstaan geen woord van elkaar, maar de sfeer is bijzonder goed. Echt contact maken is moeilijk, maar er wordt veel gelachen en niemand weet eigenlijk waarom. De dames lijken het in ieder geval allemaal erg gezellig en vermakelijk te vinden. Eén van hen haalt een plastic zakje, met daarin een tandenborstel en een kleine tube tandpasta, te voorschijn. Ze moeten dit ooit van andere bezoekers hebben gekregen. Er ontspint zich een levendig gesprek tussen de dames over wat dit zou moeten zijn. De discussie loopt hoog op en de meningen zijn nogal verdeeld. Dan, tot slot, onderwerpt de oudste dame het zakje nog eens aan een nauwkeurige inspectie. Ze wijst gedecideerd naar haar mond en tanden, die rood en rot zijn van de betelnoten. Wij roepen “ja!” en de dame kijkt trots om zich heen.Ik bedenk me hoe pijnlijk het aanbrengen van de tatoeages geweest moet zijn. Niets van het gezicht werd overslagen, ook de oogleden niet. Niet zelden waren forse ontstekingen, littekens en mismaaktheid het gevolg. 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
De Chin worden - op de Rohingya na - van alle bevolkingsgroepen het ergst onderdrukt door het dictatoriale regime. Mensenrechten worden hier met voeten getreden. Wat is het, dat we hier niet naar durven vragen, denk ik. Gêne, gevoelig onderwerp, misschien gebeurt het wel, maar hier niet? Het is de worsteling die reizigers in Birma vaker zullen hebben. We weten het, maar we willen het liever wegstoppen. Er is niet alleen een taalbarrière, die maakt dat het lastig is om over zo’n moeilijk onderwerp te praten, maar vooral ook een cultuurbarrière. Aziaten praten niet zo gemakkelijk over gevoelige en persoonlijke zaken dan wij westerlingen. En er is een politiek aspect: deze mensen zouden zelfs in gevaar kunnen worden gebracht als we dit soort zaken ook maar voorzichtig zouden aanroeren.Ik kijk om me heen. Het leven is hier simpel en het ziet er hier vredig uit. Maar wat gebeurt er buiten ons zicht? Het regime gedoogt de komst van buitenlanders hier weliswaar, maar moedigt een bezoek niet bepaald aan. Het centrale gezag wil dit moeilijk bereikbare gebied ook graag lastig bereikbaar houden. Je mag komen, maar het moet je ook weer niet te gemakkelijk worden gemaakt. 
 
          
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 

Eén van de dames vaart een stuk met ons mee, om in het volgende dorp op de markt haar spulletjes te verkopen. Ze is zichtbaar blij met de lift en geniet van het korte boottochtje. Ik zie ineens geen toeristische attractie meer, maar een doodgewone bejaarde vrouw die hard aan het werk moet voor haar verdiensten. Ze glimlacht naar ons. Heel even. Als het bootje even later aanlegt, springt ze soepel uit de boot de oever op. De laatste tattooed lady verdwijnt uit ons gezicht. Binnenkort zijn de spinnenwebvrouwen er niet meer. Erg is dat niet. Ook tradities verdwijnen, het is een wetmatigheid waar geen ontkomen aan is. Nothing lasts forever but the earth and sky. De anderhalf miljoen Chin zullen er nog wel even zijn. En daarmee ook hun traditionele geïsoleerde bestaan. De moderne tijd heeft hen nog niet kunnen achterhalen. De oranje zon staat al laag en er steekt een lauwwarme bries op.  Door het vredige en verstilde landschap varen we terug naar 2010. 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
YANGON/KIAUKTAN

We varen weer 3 uur terug naar Mrauk U, 6 uur terug naar Sittwe en we vliegen in twee uur tijd naar Yangon. Terug in de bewoonde wereld. Onze hotelkamer heeft een schitterend uitzicht op de Shwedagonpagode, die zeker ’s avonds prachtig glanst en glimt. De gordijnen zijn niet dicht geweest.

Op een uurtje rijden van Yangon ligt Kyauktan, dat door toeristen nauwelijks wordt bezocht. Misschien omdat het vrij onbekend is of omdat men tijd te kort heeft. Toch is het Kyauktan tempelcomplex, dat idyllisch midden in de Bagorivier is gelegen, de moeite waard. Zeker in de maand december, als het “donation-time” is. Ofwel: in deze maand komen talloze pelgrims en monniken naar dit eilandje om te offeren. En laat het nu net (nog) december zijn vandaag!

Als we aan de oever van de rivier komen worden we overdonderd door een hectisch gebeuren: honderden, zo niet duizenden pelgrims wachten op het bootje om naar de overkant gebracht te worden. Verkopers van wierook, bloemen en visvoer (er zwemmen enorme meervallen om het eilandje heen, die gevoerd kunnen worden) dringen zich door de menigte heen. Het lukt ons met hulp van onze chauffeur om een plekje in één van de gammele bootjes te bemachtigen, en in twee minuten worden we naar de overkant gevaren. Trappen vanuit het water (deze zijn door het water en modder erg glad) leiden ons naar het fraaie tempelcomplex. Al wandelend over het eilandje proeven we de bijzondere, speciale devote sfeer. Het eilandje is volgebouwd met Boeddhistische bouwwerken, het een nog mooier dan het andere. De sfeer is gezellig, vredig en relaxed. Monniken lachen, maken graag een praatje met ons en gaan met ons op de foto. Kortom, het is hier prima en gezellig vertoeven tussen de vele locals, voor wie dit ook een bijzonder uitje is.

                                                       

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op de terugweg naar Yangon (dat 40 km noordelijker ligt) bezoeken we halverwege in de - verder niet interessante - stad Thanlyin de Kyaik-kauk-pagode. Hij lijkt op zijn grotere broer, de Shwedagon in Yangon. Twee enorme leeuwen bewaken de trap. Er is een lift omhoog, iedereen loopt er zo naar binnen, maar als wij er aan komen lopen wordt ons daarvoor een paar dollar gevraagd. Je bent tourist of niet. Ons geld is op, we hebben genoeg besteed. We lopen de lange trappen naar boven, ondanks de klamme hitte.

En zo eindigt onze bijzondere rondreis van bijna een maand door dit bijzondere land. Het is een gemakkelijk te bereizen land (hoewel het aan te raden is van te voren wat transfers, zoals vluchten of taxiritten te regelen) en overal heb je het gevoel dat je meer dan welkom bent. Tel daarbij op de vriendelijkheid van de bevolking, die zijn gelijke bijna niet kent, de gemoedelijke sfeer, de oorspronkelijkheid van het land en de prachtige tempels en natuur, dan zien wij geen reden om niet te gaan.  “Tell your people to come; we need them” hebben verschillende mensen tegen ons gezegd. Bij deze.